Inhoudstafel

Startpagina

 

 

15. Het Nieuws van den Dag / 't Vrije Volksblad

 

15.1. Historiek en situering

 

15.2. Nederland

 

15.3. 't Vrije Volksblad

15.3.1. De overname

15.3.2. Het fenomeen Marc Sleen

 

15.4. Luc Droek en Raf Van Dijck in stripland

15.4.1. De interim

15.4.2. De avonturen van Kwik en Filidoor : Anna Bouzilowna

15.4.3. Ruzië, België en de zevende kolonne

15.4.4. Klawieter, de strijd om het uranium : spionnen, uranium en grappen

15.4.5. De opvolging : Tijl Uilenspiegel en Aram van de Eilanden

 

15.5. Vlaamse helden

15.5.1. De terugkeer van Tijl Uilenspiegel

15.5.2. Pittler en zijn Zonnebrillen

15.5.3. De voorbereiding van de storm

15.5.4. Bob De Moor ontsluierd

15.5.5. Speek, de IJzertoren en de Slag der Valse Gebitten

15.5.6. De redders van Vlaanderen

 

15.6. Besluit

 

 

 

15. Het Nieuws van den Dag / 't Vrije Volksblad

 

15.1. Historiek en situering

Het Nieuws van den Dag werd in 1885 opgericht door Jan Huyge, die een Vlaamse katholieke volkskrant in Brussel nodig vond. Het blad besteedde aandacht aan faits divers en plaatselijke berichten en werd al vlug zeer populair bij een volks publiek. In 1888 zou het te maken krijgen met de concurrentie van Het Laatste Nieuws, eveneens Brussels, volks en Vlaams, maar dan liberaal.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef de krant verschijnen onder Duitse censuur, wat gerechtelijke problemen meebracht bij de bevrijding. Het bedrijf en de directie werden uiteindelijk niet vervolgd, maar het duurde wel tot 28 mei 1946 voor de krant terug kon verschijnen. Dat was veel later dan de andere kranten, zodat deze de markt al hadden ingepikt en Het Nieuws van den Dag zich tevreden moest stellen met een oplage van 30.000 exemplaren. De krant kreeg ook nog, net als De Standaard, moeilijkheden met haar reputatie : ze werd gezien als een "zwarte" krant.

Vanaf 1940 was de onderneming in handen gekomen van Marie Huyge en haar zoon Jan Duplat, die eigenlijk ook de hoofdredactie in handen hielden. Politieke commentaren moesten voor het verschijnen aan de directie voorgelegd worden. Dat leidde tot een krant die nauw bij de Kerk en de CVP aanleunde (met stemadvies voor de CVP) en Vlaamsgezinde standpunten innam, hoewel ze daarin niet zover ging als De Standaard. In de Koningskwestie koos Het Nieuws van den Dag onvoorwaardelijk de kant van Leopold III.

In het begin van 1948 zou de krant een nieuwe stimulans krijgen door de kosteloze overname van 't Vrije Volksblad, de populaire editie van De Nieuwe Gids. Door dit "cadeau" van de overburen van de Zandstraat, komen Het Nieuws van den Dag en 't Vrije Volksblad samen aan een comfortabele oplage van 110.000 exemplaren. De twee titels zouden afzonderlijk blijven bestaan, maar krijgen identiek dezelfde inhoud.[1]

In de beginperiode na de bevrijding telt de krant tussen de 4 en de 6 pagina's, tegen 1950 krijgt de lezer dagelijks 8 pagina's te lezen. Per week verschijnen zeven kranten, dus ook op zondag. Tot oktober 1946 zouden de strips ook op zondag gepubliceerd worden, daarna alleen van maandag tot zaterdag. Vanaf januari 1948 wordt deze leegte opgelost door op zondag een wekelijkse gagstrip te publiceren. Het Nieuws van den Dag verschijnt eerst op middelmatig formaat, om na de overname van 't Vrije Volksblad over te schakelen op het grote krantenformaat.

 

15.2. Nederland

Gezien de late herverschijningsdatum, wacht men bij Het Nieuws van den Dag niet lang om strips op te nemen. Na amper twee striploze dagen, verschijnt op 30 mei 1946 de eerste aflevering van het mini-stripje "Kaspar de Stier" op de jeugdpagina "De blijde bende". De twee opeenvolgende weken zouden nog twee afleveringen van deze tekststrip volgen.

Een dag later, op 31 mei, start dan de eerste dagstrip : Bim in Amerika. De Nederlander Piet Van Elk[2] vertelt hierin hoe de jongens Bim en Billy in het Amerika van de cowboys terechtkomen. Ze gaan op zoek naar een schat, en moeten daarbij afrekenen met de streken van oneerlijke concurrenten. Na afloop van dit verhaal wordt Piet Van Elk afgelost door Willy Kuijper[3] en zijn "Tobias Sloom en Binky", die op hun reis naar China bestolen worden, zodat hun reis uiteindelijk neerkomt op het terugvinden van hun bagage.

En de verschillende verhalen blijven elkaar opvolgen. Van augustus 1946 tot februari 1947 loopt "Sambo de olifant"[4] van Mies Deinum, zonder enige vermelding van auteur of copyright. Het is een sprookjesverhaal over twee jongens, die door toedoen van de olifant Sambo lange oren krijgen en zo dierentaal kunnen verstaan. Maar als Sambo wegloopt uit de dierentuin en naar Indië reist, moeten de jongens er achteraan om weer normale oren te kunnen krijgen …

Ronny en Donny, van de Nederlander Albert Van Beek[5], gaan net als Bim op zoek naar een goudschat. "De verborgen goudschat" loopt van februari tot april 1947. Zeven maanden later publiceert Het Nieuws van den Dag nog een tweede verhaal over deze twee jongens. Daarin belanden ze per toeval op een schip dat naar Afrika vaart, waar ze samen met de detective Mac Brekum naar de Russische ontdekkingsreiziger Iksie Wajijnisie zoeken. Op hun zoektocht worden ze zelfs door inboorlingen gevangen genomen, maar ze slagen er gelukkig in te ontsnappen en heelhuids naar huis terug te keren.

"Myra, het elfje en de booze kabouter Zwartvoet", van dezelfde – en nog altijd anonieme – auteur als Sambo, gaat verder de sprookjestoer op. Het vertrekpunt van het verhaal is heel eenvoudig : Kabouter Zwartvoet is jaloers op het elfje Myra omdat iedereen altijd haar hulp inroept. Hij smeedt dan ook met andere slechte kabouters plannen om Myra uit het bos te doen verdwijnen. Maar uiteindelijk komt alles goed : Zwartvoet en zijn kornuiten worden gestraft en Myra wordt elfenkoningin.

Ook de opvolger van Myra blijft Nederlands. Op 27 september 1947 starten namelijk de avonturen van Tekko Taks, getekend door Henk Kabos[6], en verdeeld door de Marten Toonder Studio's. Net als in de reeksen van Toonder zelf spelen dieren hier de rol van mensen. In het eerste verhaal belandt Tekko Taks, hond en rentenier, op de maan. Tijdens een duiktocht komt hij namelijk, naast een schildpad, een oester en een zeemeermin, ook een niet-ontplofte V2-bom tegen. Daarmee wil hij terug naar de oppervlakte geraken, maar het ding schiet iets verder omhoog … naar de maan. Maar : "Op de aarde had men ondertussen ook niet stil gezeten en de wetenschap, in dienst van de vrede, maakte grote vorderingen. Mensen, als bijvoorbeeld prof. Uranus splitsten atomen bij dozijnen, terwijl anderen als bijvoorbeeld professor Starreveld, het heelal afzochten …"[7] En even later vliegt ook professor Uranus naar de maan, met een atoomraket. Hij landt en haalt een Nederlandse vlag tevoorschijn. Hij ziet Tekko op de maan en neemt hem als "homo luna" mee naar de aarde. Na een "demagogische" redevoering van de burgemeester keert Uranus met prof. Starreveld naar huis met zijn "atoommobiel".

In het tweede verhaal, dat onmiddellijk op het eerste volgt, belandt Tekko via een geheime trap in zijn tuin in de Middeleeuwen, waar hij op het kasteel van Fulko Taks belandt. Als hij daar veroordeeld wordt en in een ravijn gestort, komt hij zelfs in de prehistorie terecht. Maar achteraf bleek het allemaal maar een droom te zijn.

Op het derde verhaal is het zeven maanden wachten. Op 31 december 1948 start "Tekko, de held van het legioen". Hierin komt Tekko terecht in Noord-Afrika, waar hij uitgehongerd en zonder geld zit. Tot het moment dat een zekere Reindert Rattensnor hem zijn portefeuille geeft. Tekko denkt dat hij gered is, maar de problemen beginnen pas. De portefeuille blijkt van een deserteur te zijn, zodat hij al snel opgepakt en naar de kazerne gevoerd wordt. Daar krijgt Tekko een korte opleiding, waarna hij mee moet gaan vechten om de orde en rust in het koloniaal rijk te herstellen. Er is dus blijkbaar onrust in het rijk : het woestijnvolk, onder leiding van deserteur Reindert Rattensnor, wilt heel Noord-Afrika veroveren. Onder andere dankzij Tekko slaagt het legioen erin de vijand te verslaan, waarna hij verlof krijgt en terugkeert naar Nederland.

Henk Kabos presenteert met dit verhaal een heel traditioneel beeld van het leger, met oversten die roepen, dom en zelfingenomen zijn, met soldaten die alleen plichten hebben en geen rechten, enzovoort. Het verhaal speelt zich blijkbaar af in Algerije. Personages gebruiken geregeld Franse woorden en het woestijnvolk wordt aangeduid als "Rif-Kabylen". Algerije werd na de Tweede Wereldoorlog geconfronteerd met toenemende onrust ten opzichte van de Franse kolonisatie. Ook Nederland zat toen met koloniale problemen in verband met Indonesië. Het verhaal lijkt dan ook een indirecte manier om in Nederland een verhaal te brengen over onrust in de kolonie.

Tot slot van dit deeltje nog even vermelden dat de zondagskrant, die het vanaf oktober 1946 zonder de dagstrip moet stellen, vanaf 4 januari 1948 opgevrolijkt wordt met de tekstloze gagstrip "Simbad de zeeman" van C.R. Holt.[8]

 

15.3. 't Vrije Volksblad

15.3.1. De overname

Vanaf 1 juni 1948 neemt Het Nieuws van den Dag 't Vrije Volksblad over. De inhoud van de kranten moet identiek worden, en dat schept dus enkele problemen in verband met de strips. In Het Nieuws van den Dag loopt op dat moment Tekko Taks (en Simbad op zondag), 't Vrije Volksblad publiceert op dat moment De avonturen van detectief Van Zwam, Fred Sander en Donald Duck.

Alleen Donald Duck sneuvelt bij de samensmelting, want de andere reeksen worden nu in de twee kranten gepubliceerd. De lezer krijgt nu even dagelijks drie vervolgstrips voorgeschoteld. Om hem met de nieuwe reeksen vertrouwd te maken, wordt op 1 juni bij elke strip een kort "wat voorafgaat" gepubliceerd, verdere uitleg[9] wordt er niet gegeven.

Tekko Taks loopt echter op z'n einde en wordt niet vervangen, wat het aantal vervolgverhalen op twee brengt. En terwijl Van Zwam een hele tijd zou blijven doorlopen, wordt de tweede reeks telkens ergens anders gehaald. Fred Sander[10] houdt het niet lang uit : begin augustus wordt de publicatie al gestopt, om enkele dagen later vervangen te worden door het Dick Bos-verhaal "Hela, Cowboy !" van Maz, dat trouwens op hetzelfde moment ook in Gazet van Antwerpen verschijnt. En om 1948 af te sluiten : in november en december komt Piet Van Elk nog eens terug, nu met "Terry en Berry", twee beren die in opdracht van een rijke verzamelaar in Zuid-Amerika naar een reuze-orchidee gaan zoeken. Hierna loopt nog tot begin mei 1949 het al vermelde derde verhaal van Tekko Taks, waarna het voorlopig afgelopen is met de publicatie van twee reeksen.

 

15.3.2. Het fenomeen Marc Sleen

De overname van 't Vrije Volksblad brengt dus mee dat ook Het Nieuws van den Dag de Van Zwam-verhalen van Marc Sleen gaat publiceren. Voor de bespreking ervan, verwijs ik naar het deel over De Nieuwe Gids, waarin de verhalen ook blijven verschijnen.

De reeks wordt heel belangrijk voor de krant, zodat vanaf mei 1949 de tweede reeks wegvalt en er alleen nog Van Zwam-verhalen gepubliceerd worden. Marc Sleen en zijn figuren krijgen een sterke band met de krant. In het najaar van 1949 verschijnen regelmatig advertenties[11] voor abonnementen op Het Nieuws van den Dag, die geïllustreerd worden met tekeningen van Nero, Van Zwam of andere figuren van Sleen.

Het Nieuws van den Dag gaat qua stripbeleid zo'n beetje op automatische piloot varen, maar een andere overname zou de krant wakker schudden. Begin 1950 wordt De Nieuwe Gids, die in moeilijkheden verkeerd, namelijk overgenomen door Het Volk. Dit betekent ook dat Marc Sleen vanaf dan alleen nog in De Nieuwe Gids en Het Volk zou publiceren en niet meer in Het Nieuws van den Dag – 't Vrije Volksblad.

De krant zat dus met een probleem en probeerde blijkbaar Marc Sleen in eigen stal te houden. Gaston Durnez, die toen op Het Nieuws van den Dag werkte, zegt hierover : "Toen ontstond en eerste betwisting over het auteursrecht, die echter niet naar de rechter leidde. Het Nieuws van den Dag zag met lede ogen het populair geworden stripverhaal naar de concurrentie verdwijnen. Ik herinnerde mij hoe de directie zich inspande om getuigenissen te verzamelen bij ons, oud-collega's van Marc Sleen, om te kunnen betogen, dat zijn figuren en verhalen eigenlijk een soort van gemeenschappelijke creatie waren en "dus" geestelijke eigendom van die krant! Die argumentatie sneed geen hout en Marc Sleen bleef goed en wel bij Het Volk."[12]

 

15.4. Luc Droek en Raf Van Dijck in stripland

15.4.1. De interim

Er moest dus ingegrepen worden, want blijkbaar had de publicatie van Van Zwam wel enige invloed op het lezersbestand. Maar hoe ? Allereerst wordt de publicatie van het laatste Van Zwam-verhaal, De man met het gouden hoofd, gerekt. Het verhaal eindigt vier dagen later dan in De Nieuwe Gids, die op dat moment al de eerste stroken van het volgende verhaal publiceert. Maar dat kan natuurlijk geen oplossing zijn.

Dan maar de aanpak van De Nieuwe Gids na het vertrek van Vandersteen : anders en beter. Van Zwam naar Het Volk ? Wel, dan krijgen de lezers twee verhalen in de plaats ! Verschillende tekenaars werden blijkbaar aangezocht om Marc Sleen te vervangen, waaronder de schilder Octave Landuyt[13], die een verhaal over de koningskwestie voorbereidde, maar uiteindelijk niet op het aanbod inging[14].

Twee andere tekenaars werden wel bereid gevonden een verhaal af te leveren : het werden Raf Van Dijck en Luc Droek. Met een ongezien aantal aankondigingen worden hun verhalen voorgesteld. De tekenaars worden voorgesteld als "een geroutineerde, zeer befaamde kunstenaar, alsook een nieuwe, bottende, talentvolle kracht"[15]. De reputatie van de krant blijkt op die manier gered, want "Zijn traditie getrouw, blijft aldus ons blad het Vlaams dagblad dat U de meeste en de beste tekenverhalen biedt."[16]

Op respectievelijk 23 en 24 maart, dus anderhalve week voor het einde van Van Zwam, gaan de nieuwe verhalen van start. Raf Van Dijck creëert als hoofdpersonages Kwik en Filidoor, een spook en een slungelachtige kerel, en levert hiermee een verhaal af in een goed verzorgde en een eenvoudige stijl. En hij heeft blijkbaar goed naar zijn voorbeelden gekeken, want het verhaal steekt vol met politieke elementen.

Hetzelfde geldt, alhoewel in mindere mate, voor Luc Droek en zijn Klawieter, die even later "De strijd om het uranium"[17] als extra titel krijgt. Droek tekent in een veel slordigere stijl dan zijn collega, en ook het verhaal is minder verzorgd, het lijkt nogal snel in elkaar gestoken te zijn.

Luc Droek is meer dan waarschijnlijk een pseudoniem voor de "tekenaar-illustrator-garficus-aquarellist" Lucien De Roeck. Deze kunstenaar, die later onder andere bekend zou worden door het ontwerp van het "expo '58"-logo, was na de Tweede Wereldoorlog verantwoordelijk voor lay-out en illustratiewerk bij verschillende Belgische kranten, waaronder het Brusselse La Lanterne.[18] Zoals hiernaast te zien is, komt het Klawieter-verhaal qua stijl perfect overeen met ander werk van De Roeck. Zijn collega Raf Van Dijck blijkt verder onbekend te zijn.

 

15.4.2. De avonturen van Kwik en Filidoor : Anna Bouzilowna

"Te Moska, stad in Ruzië aan het hof van de Tzaar een paar dagen vóór de Tzaarverkiezing … ".[19] Zo begint "Anna Bouzilowna", het eerste en enige verhaal van Kwik en Filidoor. Hoofdpersonages zijn, naast de titelhelden, Tzaar Bouzilow, zijn dochter Anna Bouzilowna, zijn eerste minister Chandellow en de mysterieuze zevende colonne. Het verhaal speelt zich af in 1950.

Tzaar Bouzilow laat zijn eerste minister Chandellow ontbieden om het kiesprogramma voor te lezen : "1e punt afschaffing van ministerie van arbeid, oprichting van ministerie van werkloosheid. Punt 2 …"[20], "3e punt nationalisatie van de gruyèrekaasmijnen …"[21] Waarop Bouzilow en Chandellow beginnen te discussiëren over de uitslag : "… als ik 42 % behaal ?", vraagt Bouzilow. Chandellow antwoordt : "met 42 % op m'n examen  kreeg ik thuis een pak slagen". Maar de Tzaar is nog straffer : "met 42 % zou ik niet naar huis durven gaan !"[22] Waarna het gesprek onderbroken wordt door een bomaanslag : de Tzaar en zijn eerste minister liggen onder het puin, maar zijn verder ongedeerd. De paleiswachten worden blijkbaar slecht betaald : als twee wachters de Tzaar vanonder het puin wegdragen, zegt één van hen : "als onze pree zo zwaar woog als onze Tzaar he Jefski …"[23]

Even later "komen twee soldaten terug uit een ver land waar zij met een speciale opdracht waren belast …"[24] Ze hebben twee zakken mee, en daar blijken mensen in te zitten. De ontvoerden komen tevoorschijn : het blijken Teun Schlamm, een geleerde, en "Filidoor uit de gazet"[25] te zijn. Tzaar Bouzilow weet echter niet wat een geleerde is. Hij vraagt dan ook uitleg aan Prof. Schlamm, die antwoordt : "… heu, ineenzetten, maar eerder weinig … veel uiteendoen."[26]

En daarop krijgt eerste minister Chandellow een idee : "Majesteit, dat is de man die we moeten hebben ! Hij moet een procédé zoeken voor de splitsing van gruyèrekaas in kaas en gaten …"[27] Bouzilow vindt het goed en laat de prof. opsluiten in een laboratorium. Met Filidoor wil hij liever kaarten, maar als blijkt dat deze daar niets van kan, mag hij Prof. Schlamm gezelschap gaan houden.

De lezer komt nu eindelijk meer te weten over de mysterieuze bommenlegger, die zich verbergt achter een witte kap en een wit gewaad. "In de avond gaat de gestalte die de bom had gelegd naar 'n huisje waar 4 verstokte doppers ondergedoken leven in vreze voor de werkpolitie en in deugdelijk en zuiver tijdverdrijf hun uren slijten."[28] Ze zitten namelijk te dobbelen … En aangezien de bommenlegger hen vertelt dat de Tzaar dood is, lossen ze (met een glas in de hand) vreugdekreten : "leve de 7e ko .. ko .. kolonne", "de Tz .. tzaar is d .. dood !"[29]

Deze doppers blijken de vijanden van het regime van Bouzilow te zijn. Doppen is hun levensdoel en hun bron van rijkdom, zoals onder andere blijkt uit de uitspraak : "Ik ben nog niet zo rijk als gij, ik dop nog maar 14 dagen."[30] En ze deinzen er blijkbaar niet voor terug geweld te gebruiken : de bommenlegger noemt de bom zelfs zijn "visitekaartje".

Ondertussen slaat Filidoor in het laboratorium aan het experimenteren, tot plots uit een fles het spook Kwik tevoorschijn komt. Samen slagen ze erin te ontsnappen. Even krijgen ze de "kazakken-keurtroepen van de Tzaar"[31] achter zich aan, maar ze kunnen toch de vrije natuur bereiken. Na een lange tocht komen ze aan bij het huisje van de doppers. Deze slaan op de vlucht voor Kwik omdat ze denken dat het de geest van de Tzaar is : "Geen twijfel mannen. Het is de geest van de Tzaar, hij eet zich weer dik op onze kosten. Onze pap opeten, akkoord, onze kelder leegdrinken nooit !"[32] Dat laatste – hun wijnkelder redden - zet hen aan om toch terug naar binnen te gaan, maar nu nemen ze Filidoor voor een spion van de "GéPéRoe".

Het komt echter allemaal goed als Kwik en Filidoor hun verhaal vertellen. Alhoewel, goed ? De doppers komen zo te horen dat de Tzaar nog leeft en gooien de mislukte bommenwerper buiten. Waarna de drie overgebleven doppers samen met Kwik en Filidoor besluiten een tweede aanslag op de Tzaar te plegen. Het lot wijst Filidoor aan om de klus te klaren. Hij trekt terug naar Moska en gaat aan een wachter het dodelijke pakje afgeven : "Dat is voor de Tzaar, mijnheer, met de complimenten van de 7e kolonne !.."[33] Maar de aanslag mislukt weer : Anna, de dochter van de Tzaar, maakt het pakje onschadelijk.

Maar Filidoor denkt dat de klus geklaard is en gaat uitrusten bij een fonteintje. Daar wordt hij echter opgemerkt door de "werkpolitie die steeds op ronde is"[34]. De politiemannen overmeesteren hem en nemen hem mee naar een "somber gebouw", het Ministerie van Arbeid[35]. Filidoor wordt verplicht tewerkgesteld, hij moet "Stemt voor Bouzilow"-affiches plakken voor de volgende Tzaarverkiezingen. Maar de doppers houden hem in de gaten : hij was nog maar pas bezig met plakken, of er kwam al een pijl naast hem aangevlogen, met een briefje aan : "… gij zult uw verraad met uw leven bekopen … de 7e kolonne … zeg Kwik, menen die dat nu serieus ??"[36]

De doppers schijnen het inderdaad te menen : "Een geheimzinnige stem zendt de Tzaar langs de telefoon een ultimatum !". De doppers eisen een statuut, maar dat ziet eerste minister Chandellow niet zitten : "Ha neen, dat kan niet kunnen, ze hebben al genoeg pretentie."[37] Bouzilow wilt na de verkiezingen een klopjacht houden !

Die nacht proberen de doppers trouwens ook een aanslag op Filidoor uit te voeren, maar die mislukt natuurlijk. Ze slagen echter wel in een ander plan : de ontvoering van Anna, waarna ze de dochter van de Tzaar naar hun schuilplaats brengen, waar het wachtwoord luidt : "doppen of sterven !"[38].

Ondanks de ontvoering van zijn dochter wordt het toch nog een goede dag voor Tzaar Bouzilow : hij behaalt een overweldigende verkiezingsoverwinning[39] én hij krijgt Filidoor te pakken. Bouzilow wilt hem "als voorbeeld voor de andere 7e kolonners"[40] op de grote markt levend villen. Maar Filidoor kan zich redden : hij belooft samen met Kwik naar Anna te gaan zoeken. De doppers hebben namelijk weer iets laten horen : als ze geen statuut krijgen zal Anna nooit meer terugkomen.

Ondertussen wordt de toestand in de Ruzische gruyèrekaasmijnen heel zorgwekkend. Niet alleen worden de gaten in de kaas groter en groter[41], ook op sociaal vlak loopt het uit de hand : er breekt een "wilde staking" los waarbij werkloosheid het hoofddoel schijnt te zijn. Als een spreker de menigte toespreekt en zegt dat hij 365 dagen verlof per jaar eist, roept een man in het publiek : "Lelijke reactionair ! Gij wilt ons foppen voor 1 dag alle 4 jaar !"[42]

Kwik en Filidoor werden op hun zoektocht naar Anna gevangen genomen, maar kunnen zich bevrijden en gaan de Tzaar waarschuwen. Deze roept zijn troepen bijeen en "onder het zingen van het nationaal strijdlied[43] trekt het leger op weg …"[44]

En terwijl de doppers zich klaarmaken voor de strijd, proberen de regeringstroepen nog te "onderhandelen" : "In naam van de Tzaar, vader van alle Ruzies, geef u over !"[45] Maar daar heeft de tegenpartij geen oren naar zodat de strijd ingezet wordt. "Na een vreselijk gevecht met wisselende kansen moeten de doppers eindelijk het onderspit delven."[46]

Anna wordt bevrijd en vindt, na een "triomfantelijke intrede" van het leger in Moska, haar vader terug. Tzaar Bouzilow veroordeelt de leden van de 7e kolonne tot "levenslang werken in de gruyèrekaasmijnen !"[47], waarna hij Filidoor uit dank de hand van zijn dochter schenkt. Maar Filidoor wijst het aanbod af : "Majesteit, ik verkies de vrijheid. Ik zou liever niet trouwen."[48] Anna trouwt dan met Popotski, een groothandelaar in ijzeren gordijnen[49].

En daarmee loopt het verblijf in Ruzië op zijn einde. Filidoor heeft namelijk net een brief gekregen, die hij voorleest : "… u te verzoeken u, voorzien van deze oproepingsbrief en uw identiteitskaart … amaai zondag gaan kiezen !"[50] Te voet keren Kwik en Filidoor dan weer naar huis, maar onderweg zit Filidoor met een probleem : "ik weet niet voor wie ik moet stemmen." Kwik weet echter raad : "Er is maar 1 partij die 100 % voldoening geeft … de liberalen geven 25 % vermindering van belastingen en 75 % vermindering van zetels; welke kiezer zou daarmee niet tevreden zijn ?"[51] Waarna ze thuisgekomen in de huiskamer zitten uit te rusten …

 

15.4.3. Ruzië, België en de zevende kolonne

Zoals hoger al gezegd, staat dit verhaal vol met politiek. Heel duidelijke verwijzingen verschijnen naast dubbele bodems, die blijven opduiken als men begint te zoeken. Het verhaal speelt zich af in "Ruzië", wat men in eerste instantie kan lezen als Rusland. Allerlei elementen verwijzen namelijk naar Rusland : de stad Moska, de typisch Russische torens in de tekeningen, de vermelding van roebels, de figuur van de Tzaar, de "kazakken-keurtroepen", het vernoemen van de "GéPéRoe" (vervorming van de Sovjet-inlichtingendienst GPOE), de namen van de personages, …  Maar Ruzië kan ook als een projectie van België gezien worden. In België worden namelijk net als in Ruzië verkiezingen georganiseerd rond het monarchale staatshoofd, alleen noemen ze zoiets in België een volksraadpleging. Het verhaal loopt dan ook in de periode tussen de volksraadpleging en de verkiezingen van juni 1950. De vergelijking wordt nog versterkt door het feit dat Tzaar Bouzilow bij de verkiezingen de enige kandidaat is.

Uit de discussie rond de percentages blijkt dat 42 % een beetje weinig is om gelijk te halen, duidelijk een verwijzing naar de tegenstanders van Leopold, die de ja-score van bijna 58 % niet voldoende vonden. Waarom zouden zij dan gelijk krijgen met een score van 42 % ? Ook de naam Ruzië en de uitspraak "Tzaar van alle Ruzies", wijzen erop dat er in het land niet echt sprake is van eensgezindheid.

De Tzaar is een redelijk dikke figuur met een sikje en een kroon op z'n hoofd, hij wordt aangesproken met "majesteit". Verschillende keren toont hij dat hij niet al te slim is, zoals wanneer hij vraagt wat een geleerde eigenlijk is. Wel heeft hij veel geluk, hij ontsnapt aan alle aanslagen die op zijn persoon gepleegd worden. Dubbelzinnig is de uitspraak van een waarzegster die zegt dat ze niets kan voorspellen omdat de Tzaar vuile handen[52] heeft. De Tzaar heeft blijkbaar ook last aan zijn been. Op een bepaald moment is de Tzaar in gesprek met een zekere dokter Worstonow, die het beschadigde been van de Tzaar wilt vervangen door een apenbeen. Na twijfel stemt Bouzilow toch in : "Akkoord, maar op straffe van verbanning naar de gruyèrekaasmijnen van Bessinië blijft dit een staatsgeheim."[53]

De 7e kolonne bestaat uit een bende doppers die het opnemen tegen het regime van de Tzaar. Van Dijck probeert daarmee in te spelen om de zogenaamde "vijfde colonne", de aanhang van de vijand in het eigen gebied, een term waarmee de communisten in West-Europa en Amerika aangeduid werden. Zij nemen het alleszins op tegen het regime van de Tzaar en gaan daarbij geweld niet uit de weg : voor aanslagen en ontvoeringen draaien ze hun hand zeker niet om. Blijkbaar nemen ze het de Tzaar vooral kwalijk dat hij zich dik eet op hun kosten. Ook met zijn sociaal beleid zijn ze niet echt gediend : ze willen een doppersstatuut ! Enkele dagen voor de staking in de gruyèremijnen houden ze een "grote raad", waarbij hun chef hen toespreekt : het dikke heerschap is echter alleen in achteraanzicht te zien. Wie in hun organisatie mislukt, vliegt buiten zoals de mislukte bommenwerper. En wie hen verraadt – lees : gaat werken – loopt een groot risico uitgeschakeld te worden. Het Ministerie van Arbeid afschaffen en er een van werkloosheid oprichten moet bij deze mensen dan wel een programma-element zijn dat goed aanslaat. Verder moeten de doppers verborgen leven omdat de werkpolitie van het Ministerie van Arbeid constant jacht maakt op werkonwilligen. Ook deze situatie kan men in het licht van de Koningskwestie zien. De doppers nemen het net als de socialisten en communisten in België op tegen de regerende vorst. En ze verplichten andere mensen om mee te doen. Een kritiek op de aanpak van de antileopoldisten in België was inderdaad dat de georganiseerde stakingen ook werkwillige arbeiders verhinderden te werken, en dat de werkers door de stakers uitgemaakt werden voor verraders. Als men het verhaal op deze manier bekijkt, kan men zelfs zeggen dat de auteur insinueert dat het de evenbeelden van de doppers in de echte wereld om niets anders te doen is dan niet te hoeven werken.

De industrie van Ruzië blijkt vooral te bestaan uit de ontginning van gruyèrekaasmijnen. Alle aandacht van de staat gaat er alleszins naartoe. Men wilt ze nationaliseren, men wilt de kaas en de gaten scheiden, en het groter worden van de gaten blijkt een nationale ramp te zijn. De situatie doet alleszins denken aan Achille Van Acker en zijn "kolenslag". In 1945-1946 hield deze socialistische minister zich namelijk vooral bezig met de stimulering van de steenkoolmijnen en hun rol in de heropbouw van het naoorlogse België, het leverde hem zelfs de bijnaam Achille Charbon op. En ook in de periode 1949-1950 stonden de mijnen sterk in de actualiteit, door de crisis waarmee de sector te kampen had.[54]

Het feit dat Professor Schlamm en Filidoor uit een ver land ontvoerd worden, kan gezien worden als een insinuatie dat de Sovjetunie wetenschappers uit het buitenland ontvoert. Ook interessant is de reactie van Bouzilow als hij hoort dat Schlamm een geleerde is : "Laat onmiddellijk in alle dagbladen zetten dat de eerste geleerde een Ruziër was."[55] Het land loopt dus hopeloos achter, ontvoert dan maar mensen uit het buitenland, en voert dan propaganda om de buitenwereld te laten geloven dat ze de eersten zijn. Trouwens, het splitsen van gruyère in kaas en gaten kan ook gezien worden als een verwijzing naar kernsplitsing en atoombommen. De gruyèremijnen van Bessinië, waarnaar mensen verbannen worden, kunnen dan weer als een soort Siberië gezien worden.

Ook de figuur van Chandellow is merkwaardig. De Tzaar heeft blijkbaar geen al te positief beeld van zijn eerste minister. Als hij na de mislukte bomaanslag samen met Chandellow tussen het puin ligt, denk Bouzilow : "Ben ik in de Hemel ? ha neen want Chandellow is ook hier !"[56]

Verder komen nog enkele grappen voor over de luchtbrug[57], het betalen op krediet[58], het strijken van plooien in ijzeren gordijnen[59] en de wet op de huishuur[60] voor.

Raf Van Dijck heeft blijkbaar ook een goede timing voor de publicatie van zijn stroken. Als de slede van Kwik en Filidoor het begeeft, krijgen ze hulp van een "rondreizende mekanieker", die echter snel weer wegmoet omdat hij een kaart heeft voor de wedstrijd België-Holland en die niet wilt missen. De strook wordt gepubliceerd op 15 april, op 16 april 1950 wint de Nationale Belgische voetbalploeg met 2-0 van Nederland[61]. Ook het voorkomen van de verkiezingen in het verhaal is goed getimed. Op 1 en 2 juni 1950 worden ze in het verhaal vermeld, op 4 juni 1950 hebben ze plaats.

Tot slot nog even de eindscène over de verkiezingen vermelden. Kwik geeft Filidoor de raad om op de liberalen te stemmen. De katholieke lezer zal wel doorgehad hebben dat het om een grap gaat. Die belastingsvermindering met 25 % is een niet ingelost programmapunt van de verkiezingen van 1949. En die 75 % vermindering van zetels, dat is dan het verlies aan zetels voor de liberalen waar langs katholieke kant op gehoopt wordt. In werkelijkheid zouden de liberalen inderdaad verliezen (van 29 naar 20 kamerzetels), maar niet genoeg om aan de katholieken die 100 % voldoening te geven.

Een aandachtige lezing van dit verhaal levert dus allerlei verwijzingen naar de Belgische en Russische situaties op. Wel houdt Van Dijck het, op de laatste passage in verband met de verkiezingen na, op verwijzingen. Zoals we verder zullen zien, kan het ook veel explicieter. Spijtig is dat Van Dijck is zijn verhaal soms te veel elementen naar voor brengt, die hij dan niet ten volle gebruikt. Zo worden bijvoorbeeld de verkiezingen herleid tot de korte bespreking in het begin, Filidoor die affiches plakt en de uitzending van de resultaten door de radio. Ook andere elementen lijken niet ten volle uitgewerkt. Dit is waarschijnlijk te wijten aan de snelheid waaraan het verhaal gemaakt werd en aan het gebrek aan stripervaring van Van Dijck. Maar ondanks deze minpunten, is zijn prestatie met dit verhaal zeer verdienstelijk.

 

15.4.4. Klawieter, de strijd om het uranium : spionnen, uranium en grappen

Ook Droek heeft bij zijn verhaal last van te weinig zichtbare rode draad, zodat het geheel een beetje verwarrend overkomt. Zo komt de auteur soms met nieuwe elementen aandraven alsof het allemaal vanzelfsprekend is en kan de lezer zich soms afvragen waar het allemaal toe leidt.

In de aankondiging van 23 maart worden de personages voorgesteld : "Jef Klawieter, de slimme piet, die overal doorklawietert. "de Polle", mekanieker van beroep en "man van de fors". Alli Dante, de "filosoof", die altijd in rijmen spreekt. En tot slot Fientje, het trouwe, hulpvaardige, bijdehandse Fientje."[62]

Titelpersonage Klawieter is ingenieur en heeft een onderzoekscentrum ondergebracht in een kasteel. Daar ontwerpt hij toestellen voor het opzoeken van uranium. Op een dag heeft hij een gesprek met zijn directeur, Dhr. Blick : "… U kent mijn werk over de opzoekingen van uranium en het gebruik ervan … Na lange proefnemingen … kan ik het uranium gehalte vast stellen in gelijk welke stof … Dat is van groot belang !.."[63]

En dat groot belang verklaart de voorzichtigheid waarmee Klawieter zijn projecten omringt. Spijtig genoeg voor hem is hij nog niet voorzichtig genoeg, want twee spionnen houden hem in het oog. De eerste heet Bill Sjapoo, draagt een net kostuum en is de baas over nummer twee. Deze tweede spion luistert gewoon naar de naam Sus en is gehuld in arbeiderskleding.

Na Klawieter een tijdje bespioneerd te hebben, rijdt Bill naar zijn grote baas om verslag uit te brengen. Die baas blijkt een zekere Mephisto te zijn, en zijn naam is niet gestolen, want het is een zeer onrustwekkende verschijning. Zijn sikje en de vogel op zijn schouder geven hem zeker geen sympathieker uitzicht. En bovendien spreekt hij met een vreselijk Frans accent. Wanneer onze spion zegt dat hij zo laat is omdat Mephisto zo hoog woont (al die trappen), antwoordt deze : "Dat is keen reden om mij te laten wakten … ik wil dat kij …… mij uilekt waar kij kebleven zijt waar om hebt kij niets van Klawieters uitvindink ontdekt ? Ik moet spoedik nieuws hebben daarover … À propos … waar is Sus ?"[64] Sus, die is ondertussen neergeslagen door de mannen van Klawieter, en even later wordt hij vastgebonden op straat achtergelaten met een bordje "poste restante – monster zonder waarde" rond zich.

Na het gesprek neemt Klawieter afscheid van zijn directeur : "Ik ben de gelukkigste mens ter wereld sinds gij mij uw akkoord gaf. Het geld is noodzakelijk voor de reis die wij zullen doen."[65] Blijkt nu dat Klawieter en zijn medewerkers een expeditie naar Kongo voorbereiden. De besprekingen zijn nu rond, zodat ze allemaal samen een feestje mogen bouwen.

Een tijdje later vertrekken Klawieter en co dan eindelijk naar Kongo. Met hun speciaal uitgeruste vrachtwagen vertrekken ze via Frankrijk en Spanje, waar ze inschepen voor Marokko. En ondertussen worden ze natuurlijk gevolgd door Sus en Bill. Uiteindelijk bereikt de expeditie van Klawieter dan toch Kongo, waar deze door MP's direct wordt ingeënt tegen de pokken.

De reis gaat verder langs allerlei hindernissen. Verder op de weg rijden ze recht in een leeuwenkuil. Een bende apen, die in Klawieter en co hun broeders zien, halen de expeditie uit de kuil. Maar even later nemen ze de ingenieur gevangen : "Hij zal ons misschien de Koningskwestie kunnen uiteenzetten"[66], denken ze. Klawieter wordt echter bevrijd en nog even later komen ze aan in een negerdorp. De dialect sprekende en karikaturaal voorgestelde negers schenken hen een zeer gastvrij onthaal, waarna ze weer verdertrekken.

Uiteindelijk bereikt de expeditie dan Ngumbura, "de hoofdstad van de provincie, waar de gouverneur een officiële ontvangst inricht."[67] Maar op deze receptie blijkt ook Mephisto rond te lopen, wat niet veel goeds voorspelt. Als het gezelschap verderrijdt naar Uranium City, ziet men in de straten affiches met volgend opschrift : "Vermakelijkheden te Ngumbura. Zondag 27 Mei Pensenkermis met spreekbeurt over atoomenergie." staat er doorstreept, met daaronder : "Zondag 4 juni. Algemene Verkiezingen."[68]

Op hun verdere reis wordt Fientje koningin van de pygmeeën en vallen Klawieter en Polle in handen van Mephisto. Dante bevrijdt hen, en Polle ontdekt in de schuilplaats van Mephisto uranium, wat Klawieter een gat in de lucht doet springen. Mephisto en zijn medewerkers worden overmeesterd, zodat Klawieter eindelijk aan zijn opzoekingen kan beginnen.

Het materiaal voor het uraniumonderzoek wordt uit de vrachtwagen geladen en de ploeg krijgt hulp van de Pygmeeën. Klawieter vertelt : "Ik ben, met Dante en Polle, hierheen gekomen om uranium te zoeken. We hebben er nu gevonden. Ik geloof, als al onze toestellen beneden zullen zijn, dat ik zal kunnen zeggen : wij zijn de rijkste mannen ter wereld. De toekomst zal van ons afhangen. De wereld ligt in onze handen."[69] Een hele installatie wordt uitgebouwd "om uit uranium blinkende kolen te maken"[70].

Een "vliegende Mephisto" probeert nog uranium te stelen met een magneet, maar zijn poging mislukt en hij wordt (nog eens) overmeesterd. Dan landt er plots een vliegtuig. Een man in kostuum stapt uit en feliciteert Klawieter : "uw werk heeft dan toch vruchten opgeleverd."[71] De man blijkt echter niet zo'n goede bedoelingen te hebben, want hij blijkt Polotof, de grote baas van Mephisto te zijn. Veel zal hij niet kunnen uitrichten, want al snel komt een bende MP's aangereden in jeeps : "Wij ontvingen een geheime radioboodschap van u op en kwamen alzo alles te weten. Een vliegtuig overvloog vanochtend de grens zonder gehoor te geven aan de sommaties … ik kreeg bevel de piloot en de inzittenden aan te houden." Polotof probeert nog te protesteren en te zeggen dat hij klacht zal neerleggen bij zijn regering, maar dat helpt niet. Hij wordt samen met Bill, Sus en Mephisto weggevoerd.

En daarmee is het Afrikaans avontuur van Klawieter bijna ten einde. Enkele dagen later brengt een "negerfacteur" een telegram : "Proficiat voor uw ontdekking stop .. zij dient de zaak van de vrede en plaatst België bij de grote mogendheden stop ………… bede spoedig terug te komen met uranium. Stop. Laat materiaal ter plaatse … Stop. De regering."[72]

Waarna in het laatste prentje het vliegtuig opstijgt dat Klawieter en co terug naar België moet brengen. En terwijl vredesduiven het vliegtuig omringen, zwaaien de Pygmeeën met Belgische vlaggen …

 

Klawieter is op politiek vlak een veel magerder verhaal dan Anna Bouzilowna. Maar dat betekent zeker niet dat er geen politiek aanwezig is. Allereerst wordt er veel aandacht geschonken aan het belang van uranium. Uranium maakt hen tot de rijkste mensen te wereld, geeft de toekomst in hun handen, is bevorderlijk voor de vrede, maar blijkt vooral belangrijk te zijn voor België. Ons landje wordt op die manier een grote mogendheid, wat de auteur zelfs inspireert tot een redelijk patriottische eindscène.

Het tweede belangrijk element dat aan bod komt, is spionage. Bill en Sus werken overduidelijk niet alleen, ze staan via Mephisto in dienst van Polotof, een naam die niet voor niets Russisch klinkt en zelfs een vervorming is van de Sovjet-vice-premier Molotov. De man wordt door MP's opgepakt, maar Russen of Amerikanen worden in het verhaal niet bij naam genoemd. De lezer is slim genoeg om te weten dat België Congolees uranium levert aan de Verenigde Staten.

En in deze dagen van Koningskwestie kan men zelfs zijn tegenstanders een slecht rolletje geven : Sus, de arbeider-spion en Mephisto, de Franstalige spion. Verder staat het verhaal vol met grapjes en verwijzingen, waarvan enkele voorbeelden volgen. Fientje, die door de pygmeeën tot hun koningin gemaakt, houdt haar eerste toespraak : "Volksgenossen, mijn eerste beslissing als koningin zal zijn de belastingen met 25 % verminderen." Waarop een pygmee tegen zijn buur zegt : "Daar komt toch niks van. De liberalen hadden het ook beloofd."[73] Ook Polle heeft het niet zo op de liberalen, voor het vertrek naar Kongo zegt hij : "'k Neem ne radio mee. Ge weet nooit, als we eens niet kunnen slapen, kunnen we de liberale politieke tribune nemen …"[74]

Maar ook de politiek in het algemeen is het voorwerp van grappen. De twee spionnen terwijl ze Klawieter en zijn directeur in de gaten houden : "Wat die zo lang bespreken … 't is al erger dan bij een regeringscrisis !", "Ja, 't is al erger baas."[75] Of al diezelfde twee even later van een muur vallen : "Boef ! We liggen er mee ons … gouvernement.", "Ik vraag ne nieuwe formateur voor mijn tanden."[76] Elf dagen vroeger diende de regering-Eyskens haar ontslag in.

En in Frankrijk is het al niet beter. Als Klawieter en co voorbij het Frans parlement rijden, komen allerlei tekstballonnen uit de gebouwen : "Verraders", "Oorlogsstokers", "Fascisten", "Boem". In de auto van Klawieter vraagt iemand wat er gebeurt : "Ho, da's niks. Da's het Franse parlement."[77]

Maar ook de Brusselse trams krijgen aandacht. Bij hun vertrek vergeten ze bijna Dante, die op de rijdende vrachtwagen moet springen : "Nog wel dat die auto geen deuren heeft gelijk de nieuwe Brusselse trams zoniet was ik er nooit op geraakt. Ne mens zou er zijn rijmen bij vergeten."[78] Verder komen nog de belastingen[79], de Amerikaanse frisdranken[80], het betaald verlof[81] en de verkiezingen[82] aan bod.

 

15.4.5. De opvolging : Tijl Uilenspiegel en Aram van de Eilanden

Maar Van Dijck en Droek zouden elk maar één verhaal afleveren. Op 2 en 8 juni 1950 is het definitief afgelopen met Kwik en Filidoor en Klawieter. Een nieuwe auteur werd aangesproken om iets te tekenen voor Het Nieuws van den Dag : Bob De Moor. Op 22 mei gaan zijn "Nieuwe Avonturen van Tijl Uilenspiegel" van start, als vervanging voor het nog niet afgelopen verhaal van Kwik en Filidoor. Er wordt zelfs een speciale abonnementsformule[83] voorgesteld ter gelegenheid van de publicatie van dit verhaal.

Op 8 juni wordt dan ook Klawieter vervangen. "Aram van de eilanden", een Eric de Noorman-kloon door Piet Wijn[84], wordt met veel tamtam aangekondigd. Sommige lezers kregen zelfs schrik dat ze Tijl Uilenspiegel zouden moeten missen : "Sommige lezers hebben bij de eerste aankondiging van "Aram" gedacht dat dit in de plaats zou komen van de vrolijke avonturen van Tijl Uilenspiegel die met zoveel genoegen worden gevolgd. Dat is niet zo. De avonturen van de grappige kameraden Lamme en Tijl duren voort en daarnaast zullen onze lezers een tweede tekenverhaal vinden, de spannende, avontuurlijke, geschiedenis van Aram."[85]

De reeks wordt verdeeld door de Toonder Studio's. Zoals bij Eric de Noorman spelen in deze historische reeks waarden als moed, macht, lafheid en angst een belangrijke rol. En vreemde wezens zijn nog talrijker : reptielmannen, een sprekend vleermuisachtig wezentje, …

In het eerste verhaal spoelt Aram na een storm aan op een eiland, waar hij gevangen genomen wordt door reptielmannen. Hij wordt bij andere gevangenen opgesloten en sluit daar vriendschap met de reus Tudor. Samen ontsnappen ze en gaan ze Tudors zus Tamahia, die in een naburig gebied gevangen zit, bevrijden. In het tweede verhaal komen ze op weg naar huis in aanraking met de broers Seewart de Schuimer en Seewart de Handelaar, die alle twee zullen proberen Tamahia te ontvoeren.

 

15.5. Vlaamse helden

15.5.1. De terugkeer van Tijl Uilenspiegel

Maar nu terug naar de Uilenspiegel van Bob De Moor. Bob (Robert) De Moor werd op 20 december 1925 geboren in Antwerpen als zoon van een metaalbewerker. Op zijn veertiende, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, trok hij naar de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen, waar hij lessen in houtskool- en publiciteitstekenen volgde. In 1944 ging hij voor de Antwerpse tekenfilmstudio AFIM werken, waar hij onder andere samenwerkte met Ray Goossens. Later op het jaar werd hij verplicht tewerkgesteld als tekenaar in een vliegtuigatelier. En nog altijd in 1944 geraakte hij twee vingers kwijt door een granaatexplosie op straat.[86]

Kort na de oorlog begon hij strips te publiceren, eerst in Kleine Zondagsvriend (Bart de scheepsjongen e.a.), later in allerlei dag- en weekbladen. Om de boel te organiseren zette zijn zwager John Van Looveren zelfs een studio op, de "Artec-Studio's" (zie eerder) die aan een ganse reeks publicaties van allerlei strekkingen verhalen leverden. In 1949 kwam er een einde aan Artec en datzelfde jaar begon De Moor voor het weekblad Kuifje te werken, waar hij debuteerde met een stripbewerking van de Hendrik Conscience-klassieker De Leeuw van Vlaanderen.[87] En in 1950 werd hij blijkbaar aangezocht door Het Nieuws van den Dag, waarin hij met zijn Tijl Uilenspiegel grappige en politiek geladen verhalen aflevert in een stijl die heel erg aanleunt bij Hergé.

De figuur Tijl Uilenspiegel is afkomstig uit een 15e eeuws Duits volksboek, waarin allerlei "grappen en grollen" uit zijn leven verhaald worden. Het werk zou spoedig in het Nederlands vertaald worden en geleidelijk aan werd de Nederduitse held omgevormd tot een Vlaamse figuur. In 1867 schreef Charles de Coster zijn – Franstalige en antiklerikale – roman "La Légende d'Ulenspiegel", waarin Tijl het gezelschap kreeg van Nele en Lamme Goedzak. In de twintigste eeuw zagen een hele reeks Vlaamse vertalingen en bewerkingen van het werk van de Coster het licht, die van Uilenspiegel een Vlaamse held en vrijheidsstrijder maakten. Tijl Uilenspiegel werd een symbool van de strijd tegen de onderdrukking en tegen de vreemde overheersing.[88]

Zoals we verder zullen zien, maakt Bob De Moor op een heel eigen manier gebruik van de figuren Tijl en Lamme. En de lezer wordt door een "dringend bericht" van hun terugkeer op de hoogte gebracht : "Tijl Uilenspiegel held van de gulle lach van de lustige grappen  en van de Vlaamse levenslust komt terug naar zijn geboortestreek. Wat zal hij er staan kijken… ?? Alles wat hij zal opmerken en beleven, zal hij U vertellen in zijn pittige taal, verlevendigd door sprekende illustraties. Vrienden lezers, gij moogt niet nalaten "Tijl Uilenspiegel" te vergezellen op zijn verkenningstocht doorheen het Vlaamse land."[89]

 

15.5.2. Pittler en zijn Zonnebrillen

De Nieuwe Avonturen van Tijl Uilenspiegel beginnen als Tijl en Lamme, die sinds hun dood in de hemel verblijven, op een dag besluiten eens te gaan rondkijken op de aarde. En aangezien er net twee verongelukte parachutisten in de hemel aankomen, lenen Tijl en Lamme hun parachutes en springen ze naar beneden, richting Brussel anno 1950. Hun aankomst, midden in Brussel-Noord, zorgt voor lichte paniek onder de omstaanders, maar natuurlijk zijn ze zelf even verwonderd als ze zien hoe het er nu op aarde aan toe gaat. Door hun ongepast gedrag worden ze al snel door een (zeer onhandige) agent opgesloten in de gevangenis, maar daar worden ze even later al uitgehaald door een circusdirecteur die in hen wel een interessante act ziet.

Ondertussen begint in de hemel hun proces. Allerlei historische figuren zetelen, en "duizenden en duizenden nieuwsgierigen uit alle landen en alle tijdperken"[90] wonen het proces bij. Na veel discussies wordt een alternatieve straf vastgelegd : de aarde redden. De twee verongelukte soldaten vervoerden namelijk in opdracht van hun overste de plannen van een geheime organisatie. Uit deze plannen blijkt dat die groepering – de Bende van de Zonnebril - de aarde wil opblazen door een diepe schacht te graven en daar een nieuw ontploffingsmiddel in te brengen.

Albert Packthem, in zijn vorig leven politie-inspecteur, wordt naar de aarde gezonden om Tijl en Lamme van de veroordeling op de hoogte te brengen. Onderweg komt hij een vliegende schotel tegen, die ergens in het Brabantse landt. Hij volgt de inzittenden naar hun schuilplaats en luistert hen af : "Ik kon de documenten bemachtigen vóór iemand de lijken der valschermspringers gevonden had. De Bende van de Zonnebril zal zorgen dat de schacht gegraven wordt. Zeg tegen de Grote Baas dat hij gerust mag zijn."[91] Waarna Albert de vliegende schotel saboteert en op zoek gaat naar Tijl en Lamme, die ondertussen al uit het circus verdwenen zijn.

Even later vinden de drie hemelbewoners elkaar dan toch. Albert deelt de twee vluchters hun opdracht mee en wijst hen een zonnebril-bendelid aan. Tijl en Lamme volgen hem tot aan de schuilplaats van de bende, waar even later de Grote Baas op bezoek komt. Een "Grote Baas" die rondloopt in een ruimtepak, en dus voorlopig niet te identificeren is. Aangezien de schuilplaats ontdekt is, besluiten de bendeleden ze op te blazen.

Ondertussen krijgen twee Zonnebrillen de opdracht om met het graven van de schacht – vertrekkende vanuit een bunker tussen Bredene en Wenduine - te beginnen. Albert, Tijl en Lamme volgen hen, wat leidt tot een achtervolging tot in Zuid-Frankrijk. Daar slagen de Zonnebrillen erin Lamme te ontvoeren : ze rijden ermee terug naar de Vlaamse[92] Kust en sluiten hem daar op.

Enkele dagen later vinden ook Albert en Tijl de bunker. Maar Tijl wordt gevangen genomen en samen met Lamme aan het werk gezet voor het graven van de schacht. Opeens komt de Grote Baas binnen, met een koffertje van de springstof BZZ-BO.EM2. Hij schept blijkbaar een groot genoegen in zijn plannen : "De wereld zal uiteengereten worden terwijl ik en mijn trouwe volgelingen veilig op de planeet Mercurius zullen zitten. Daar eerst zal mijn wraak tegen de aarde gekoeld zijn ! … Ha ! Wat een heerlijk vooruitzicht !"[93] Waarop Tijl reageert : "Allemaal goed en wel, maar zeg me eens wie ge zijt en waarom ge de wereld in de lucht wil laten vliegen ? En nogal in Vlaanderen ! De Vlamingen moeten wel altijd voor anderen hun wraakplannen buigen, maar eens gaat het toch te ver, zulle, makker !"[94]

De Grote Baas zou echter niet lang meer anoniem blijven : hij struikelt, zodat de helm van zijn ruimtepak breekt. Tijl herkent de man onmiddellijk : "Pittler !! De man die enkele jaren geleden de wereld in vuur en vlam zette ! Maar gelukkig verslagen werd. Iedereen dacht dat gij mortebus waart !"[95] Maar Pittler was blijkbaar niet dood : hij kon op het kritieke moment met enkele getrouwen per vliegende schotel naar Mercurius vluchten, waar er in stilte aan de nieuwe springstof en aan de wraakplannen gewerkt werd.

10

 
Daarop volgt de strijd van Tijl, Lamme en Albert tegen de bende om de geplande ontploffing van de aarde te verhinderen. En ondertussen proberen Pittler en Co te vluchten. Net op dat moment doet zich echter een aardbeving voor, waardoor bijna alle vliegende schotels door de zee verzwolgen worden. Pittler en zijn belangrijkste medewerker proberen te vluchten aan boord van de laatste schotel, maar Albert laat de schotel neerstorten. Pittler en zijn medewerker krijgen een "rammeling", waarna ze uitgeleverd worden aan de politie. Uiteindelijk wordt ook nog de ontploffing van de aarde vermeden, aangezien Albert de springstof in zijn zak gestoken had. De rokende onderzoeksrechter bedankt Tijl, Lamme en Albert : "Heren … pf u zijt de … pf … de redders der … pf mensheid. In naam van de … pff … Westelijke mogendheden, … pff merci, hé … pf.."[96]

De opdracht is volbracht, de aarde is gered : Albert, Tijl en Lamme vliegen terug naar de hemel. Onderweg geven ze Lucifer nog een pak slaag voor al die last die hij hen bezorgd heeft. Tenslotte worden ze in de hemel hartelijk ontvangen door Sinte-Pieter, die ter hunner ere een Vlaamse Kermis georganiseerd heeft.

 

15.5.3. De voorbereiding van de storm

Het is maar al te duidelijk dat met de "Grote Schurk" Pittler, Adolf Hitler bedoeld wordt. De tekst is al duidelijk genoeg en ook de tekeningen liegen er niet om. Pittler wordt afgeschilderd als een egoïstisch kereltje dat wraak wilt nemen op de aarde omdat hij verslagen werd. Alleen hij en zijn medewerkers mogen overleven door naar Mercurius te vluchten. Op het einde van het verhaal laat hij zelfs zijn medewerkers in de steek om zichzelf te kunnen redden. De rest van de bende blijkt ook voor een deel uit Duitsers te bestaan, één van de mannen aan boord van de eerste vliegende schotel heet trouwens "Heinrich"[97]. Als de onderzoeksrechter de helden op het einde dan nog bedankt in naam van de "Westelijke mogendheden", lijkt het verhaal pas echt een herhaling van de Tweede Wereldoorlog. De Duitsers worden alleszins gewaarschuwd : als ze weer veroveringsplannen zouden koesteren, is Tijl Uilenspiegel er om dat te beletten. Ook in de hemel zijn de gevolgen van de oorlog nog te merken. Op het proces van Tijl en Lamme houdt een Amerikaanse soldaat de boel in het oog. En als Tijl van achter aangevallen wordt, zegt hij : "Die valt maar aan zonder voorafgaande verwittiging ! Maar ja, dat is tegenwoordig de gewoonte."[98] Twee weken vroeger viel Noord-Korea de Zuidelijke buur binnen.

41

 
En ook enkele politieke opmerkingen en grappen sluipen het verhaal binnen. Met zijn "Hemel-Pince-Nee" kan Albert het geweten van de mensen onderzoeken, en dus controleren of ze toevallig niet tot de bende van de

Zonnebril behoren. Als hij het toepast op een groepje van vier voorbijgangers, geeft dat het volgende resultaat : "Professor" – "Beroepsdief" – "Liberaal (zeldzaam)" – "Dopper". De kleine aanhang van de liberalen werd in katholieke hoek blijkbaar grappig gevonden. Of nog de getuigen van de landing van Tijl en Lamme in Brussel-Noord, die denken dat het om verkiezingspropaganda gaat.

14

 
Tenslotte is het Vlaamse element, dat in het volgende verhaal een zeer grote rol zal spelen, al aanwezig. Tijdens de eerste nacht van Tijl en Lamme in het circus, dringt een leeuw hun woonwagen binnen. Het losgebroken beest laat zijn tanden zien, wat aan Lamme de opmerking ontlokt dat het misschien de Vlaamse leeuw is.[99] In Vlaams perspectief is ook de samenstelling van de rechtbank interessant. Voorzitter van dienst is Julius Cesar, aanklager de Hertog van Alva. Alva vindt de misdaad van Tijl en Lamme onvergeeflijk en eist dat ze naar de hel zouden verbannen worden. De verdediging wordt verzorgd door Keizer Karel en "mijnheer Conscience" : zij beschrijven de beklaagden als "grappenmakers" en "brave kerels". Niet voor niets zijn Caesar en Alva oude "vijanden" van onze gewesten en hebben Keizer Karel en Conscience een positief imago in relatie tot Vlaanderen. En om te besluiten moet nog de verbolgenheid van Tijl vermeld worden als hij hoort dat de Vlamingen "wel altijd voor anderen hun wraakplannen moeten buigen". Wat daarmee bedoeld wordt, komt veel duidelijker naar voor in het volgende verhaal.

 

15.5.4. Bob De Moor ontsluierd

Het eerste Uilenspiegel-verhaal werd volledig anoniem gepubliceerd. "Wie is de tekenaar van : De nieuwe avonturen van Tijl Uilenspiegel ?"[100], is dan ook de titel van het interview-artikel dat het tweede verhaal aankondigt. Het volledige artikel, dat voor de hedendaagse lezer redelijk grappig overkomt, wordt hiernaast weergegeven. Het gesprek gaat onder andere over de verwantschap tussen De Moor et Breughel, over zijn leeslust tijdens zijn jonge jaren, over zijn interesse voor de scheepvaart, én natuurlijk over zijn "tekenverhalen". Wanneer de journalist opmerkt dat zijn stripbewerking van "ons nationaal epos De Leeuw van Vlaanderen in Kuifje zo'n sukses kent", merkt De Moor op dat een "tekenverhaal" altijd meer tot de verbeelding spreekt dan een gewone roman. Waarop de journalist verder gaat : "en dat moet wel waar zijn, want het eerste waar onze lezers naar kijken in ons dagblad zijn de nieuwe avonturen van Tijl en Lamme en hun onafscheidelijke vriend Albert." Tenslotte wordt er even gesproken over het tweede verhaal, "Het vals gebit", dat op komst is. De journalist schijnt zich vragen te stellen bij deze titel, maar als onze tekenaar zegt : "Kent ge dan de Vlaams leeuw niet ? Nog nooit gezongen van : Zij zullen hem niet temmen zolang de leeuw kan klauwen zolang hij tanden heeft ? …", antwoordt hij : "Ha, ik heb beet ! Het wordt een grappige hekeling van de nazaten van Lamme Goedzak ?" "Min of meer … glimlachte Mijnheer Demoor …"

In de aankondiging[101], die diezelfde dag verschijnt, zien we een leeuw met tandpijn in de wachtzaal van de tandarts.

 

15.5.5. Speek, de IJzertoren en de Slag der Valse Gebitten[102]

Na hun vorige avonturen genieten Tijl en Lamme van een welverdiende rust in het hemel-park als ze bezoek krijgen van Albert Packthem. Albert ziet er nogal triestig uit en daarom vraagt Tijl wat er aan de hand is. Albert vertelt : "Och, ik kom net terug van een uitstapje naar de wereld … naar Vlaanderen … En 't gaat daar slecht ! … In de cinema is 't niet anders dan Speek die ge te zien krijgt ! Ge weet wel, hé, die meneer die vindt dat de grondwet gemaakt is om hem te ambeteren … Aan de kust : Schoonheidskoninginnen, Franse film-festivals, mode-shows ! … En ge weet wat ze met onze koning aangevangen hebben, hé ? En de Vlamingen, die Lamme Goedzakken, laten zich maar doen !"[103]

71

 
Daarop besluit Lamme in actie te schieten : hij gaat rechtstaan op zijn wiegzetel en begint te roepen. "'t Moet gedaan zijn ! Ik zal er mij eens mee bemoeien ! De Vlamingen zijn de laatste tijd wel wakker geschoten, maar zij moeten wakker blijven ! … En daar zal ik eens voor zorgen ! Vooruit, geef mij een paar telloren rijstpap, dat ik mij in form eet !"[104] Maar door zijn enthousiasme zakt zijn zetel totaal in elkaar, waarop hij zegt : "… geen geluk, hé … als ne Vlaming … zijn tanden eens … laat zien !".[105]

Maar Albert heeft een idee : "Ik heb verschillende wantoestanden in Vlaanderen gefilmd. Nu zou ik een voordracht met lichtbeelden willen geven over de toestand in het Vlaamse land. Dit voor de leden van het Hemelse-Davids-Fonds. Daarna kunnen wij onderling beslissen wat er ons te doen staat."[106] Tijl en Lamme vinden het een goed idee en zorgen voor uitnodigingen en affiches terwijl Albert zijn toespraak voorbereidt.

Enkele dagen later is het dan zover, de dag van de toespraak is aangebroken. "Stillekensaan geraakt het zaaltje vol. Het is een mengelmoes van beroemde Vlaamse voormannen uit alle tijdperken en van alle standen, die van de gelegenheid gebruik maken om eens een serieus woordeke te placeren …"[107]. Onder andere Robrecht Van Bethune, Jan Breydel, Pieter De Coninck en Jacob van Artevelde wonen de voordracht bij. Jan Breydel heeft zelfs een bende gewapende mannen meegebracht "want 't zal hier niet gaan zoals in Brussel !"[108]

In de dia-lezing, die hiernaast wordt afgebeeld, hekelt Albert Packthem een aantal Belgische wantoestanden. Zeven verschillende punten brengt hij hierbij naar voor : de figuur van Paul Henri Spaak (in het verhaal tot Speek herdoopt), de repressiepolitiek,  waar de kleine visjes veel zwaarder gestraft worden dan de grote, de aanwezigheid van censuur, de omgang met de resultaten van de volksraadpleging, de onderschatting van de Vlaamse mobilisatie door de Franstalige pers, arbeiders die onder druk gezet worden om te staken en de houding van de Vlamingen die zich veel te veel laten doen.

En dan besluit hij : "… Ziedaar, heren, hoe het bij ons gesteld is. Denkt ge niet, dat wij er zullen moeten tussenkomen om de Vlamingen de fierheid van vroeger terug te bezorgen en hen te beschermen tegen de aanvallen van hun vijanden. Want nu mogen ze nog honderd keren meer de meerderheid hebben, dan laten ze zich nog in de doeken doen ! … Wij zullen eens laten zien dat de Leeuw nog tanden heeft ! Laat ons dus iemand kiezen, die de Vlamingen moet gaan helpen ! … Ik heb gezegd."[109]

Albert wordt door de zaal toegejuicht voor zijn lezing en Jan Breydel stelt voor om hem samen met Tijl en Lamme naar Vlaanderen te sturen : "Zij hebben de wereld van de ondergang gered ! Ewel, nu zullen zij Vlaanderen redden …"[110] Waarna de vergadering wordt afgesloten met het zingen van een "daverende Vlaamse Leeuw".

Per vallende ster vliegen Albert, Tijl en Lamme naar de aarde. Ze komen terecht op een boerderij in Damme, waar ze worden verwelkomd als "de redders van de wereld" en "de symbolen van Vlaanderen". Het gaat duidelijk om een katholiek boerengezin, op de kast van de woonkamer staan enkele heiligenbeeldjes. Even later komt een "professor" bij het gezin op bezoek. Hij biedt de hemelbewoners een leegstaand huis aan, waar ze dan kunnen verblijven.

Het viertal gaat het huis bekijken, maar er blijkt een serieus gat in de voorgevel te zitten. Albert, zoals al gezegd in zijn vorig leven nog politie-inspecteur, vermoedt een bomaanslag en vraagt aan de professor of hij een reden voor deze aanslag weet. De professor geeft uitleg : "Ik zal u zeggen, ik werd belast met het inzamelen van gelden voor het opbouwen van de IJzertoren. Als senator heb ik ook niks onverlet gelaten om bij de regering aan te dringen op het zo vlug mogelijk uitbetalen van een staatstoelage aan hetzelfde doel !". Waarop Albert antwoordt : "Ha ! Ha ! En de vijanden van Vlaanderen hebben u dat kwalijk genomen en dat met hun gewone laffe middelen laten weten !".[111]

Hiermee is de toon van het verhaal gezet. De strijd van de Vlamingen tegen hun "vijanden" wordt gesymboliseerd door de IJzertoren. De tegenstanders van Vlaanderen willen de heropbouw van het monument verhinderen, zodat de toren het symbool wordt van de Vlaamse fierheid. De Moor probeert hier ook een verband te leggen tussen de bomaanslag op het huisje van de professor en die op de IJzertoren. Zo vertelt hij : "de daders van de aanslag werden nog niet gevonden"[112], een duidelijke verwijzing naar het geklungel van het IJzertorenonderzoek. Ook het personage van de "professor" is een verwijzing naar de echte situatie : zoals in de contextschets al gezegd, werd in augustus 1948 het huis van professor Fransen, voorzitter van het IJzerbedevaartcomité, zwaar beschadigd door een bom.

Maar het verhaal gaat verder. Tijl probeert nog een verdachte tegen te houden, maar deze kan ontsnappen. Hij verliest wel zijn zonnebril !  De bende van de Zonnebril is blijkbaar herrezen met een nieuw doel : de opbouw van de IJzertoren tegenwerken. En terwijl Tijl, Lamme en Albert beraadslagen over hoe ze de zaak gaan aanpakken, wordt een dreigbrief op hun deur gestoken. Maar de brief heeft weinig effect, de drie mannen zij vastbeslotener dan ooit om door te gaan. Lamme bestelt ter verdediging een kist geweren, waarop Albert zegt dat dat geen slecht idee is "want veiligheidsmaatregelen treffen ze in dit land als het te laat is !"[113].

Op een nacht wordt Lamme, die de wacht loopt, aangevallen door een Zonnebriller.  Maar deze wordt zelf gepakt. Aan zijn silhouet te zien, gaat het duidelijk om een arbeider, en blijkbaar ook om een socialist of communist. Als Albert hem probeert te ondervragen, antwoordt hij : "Ik zeg niks, kameraad"[114]. En als Albert verder aandring, roept de man zo hard hij kan "Neen". Dit doet serieus denken aan de campagne van de socialisten tijdens de volksraadpleging. De man spreekt wel correct Nederlands, zoals alle personages in dit verhaal.[115]

Maar Charel (zo heet de man blijkbaar) ontsnapt en trekt naar Gent. Daar komt hij een zekere Jules tegen en samen gaan ze de schuilplaats van de Zonnebril-bende binnen om een vergadering bij te wonen. Lamme is hem echter, verkleed als tramconducteur, gevolgd en dringt ook het gebouw binnen. Het duurt natuurlijk niet lang, of hij wordt opgemerkt : "Ewel, kameraad, wat komt gij hier doen ?"[116]. Lamme wordt gevangen genomen en voor de Zonnebril-vergadering gebracht. Deze vergadering wordt door niemand anders voorgezeten dan Speek ! Als dan nog blijkt dat zijn secretaresse "Madam Bloem" heet, heeft de lezer het wel begrepen : de Bende van de Zonnebril wordt geleid en bemand door socialisten. Meteen is ook duidelijk wie de vijanden van (het katholieke) Vlaanderen zijn.

Aan de muren van de vergaderzaal hangen verschillende spreuken : "Voor de rechten van de mens", "Leve de democratie", "In naam van de vrijheid !".[117] Speek wil Lamme een verklaring laten ondertekenen waarin hij toegeeft dat hij, Tijl en Albert maar bedriegers zijn. Hieronder is te zien hoe hij dat aanpakt en dus zijn idealen van vrijheid en democratie[118] omzet in de praktijk.

Enfin, Speek opent de vergadering en neemt het woord : "Het doel van onze organisatie "de Zonnebril" is dus : de opbouw van de IJzertoren tegen te werken. Slagen de flaminganten er toch in die hoop stenen aan een te metsen, dan moet hij maar weer eens gedynamiteerd worden !!! Onze kranten moeten dan schrijven dat het wel betreurenswaardig is, maar niet zo erg !"[119]

Lamme ziet zijn toestand niet echt zitten en probeert te vluchten. Daarbij sukkelt hij in de kleerkast van Speek. Volgens hem tonen de kaartjes op de kleren duidelijk dat het wel degelijk de kleerkast ven Speek is. Een versleten arbeiderskostuum wordt aangeduid als "Partij Kostuum", en daarnaast zijn ook nog een "Diplomaten Plunje " en "Avondkledij" voorzien. Lamme trekt het "Napoleonkostuum" aan, raakt zo buiten en doet aan autostop. "Na lang wachten wordt de Lamme eindelijk meegenomen op een camionneke, beladen met kiekens. Spijtig genoeg heeft onze vriend niet gevraagd aan de chauffeur of hij wel naar Damme rijdt. Anders had hij vernomen dat die kiekens voor Brussel bestemd waren …"[120]

Ondertussen krijgt Tijl van een boer "De Avond Gazet"[121] in handen gestopt. Op de eerste pagina staat de verklaring van Lamme. Speek heeft zijn werk goed gedaan. Maar Uilenspiegel is woedend, en dat zullen ze bij de Avondgazet geweten hebben. Tijl stormt naar de lokalen van de krant en valt het bureau van de redactiesecretaris binnen. Als hij merkt dat deze man niets wilt zeggen én een zonnebril op zijn neus heeft, heeft Tijl het ook wel begrepen.

Hij neemt dan maar de trein naar Brussel en kan meteen merken wie de Avondgazet leest. Sommige passagiers – de Avondgazetlezers - halen hun hoofd voor hem op, anderen steunen hem en verzekeren hem dat ze in hem geloven. In Brussel aangekomen, loopt Tijl de gebouwen van de radio-omroep binnen en lanceert er een opsporingsbericht. De reacties van de luisteraars, hieronder afgebeeld, zijn veelzeggend …

Als men de krantentitels probeert om te zetten naar de reële situatie, zou men kunnen zeggen dat "Het Beste Nieuws" Het Laatste Nieuws zou kunnen zijn, "De krant van het Volk" de Volksgazet en "'t Vlaamse land" een Vlaamse katholieke krant ?

Uiteindelijk vindt Tijl Lamme toch terug in Brussel, temidden van redelijk belachelijke vlootmanoeuvres op het kanaal. Na allerlei gebeurtenissen slagen Speek en Kameel, die het geheel als personaliteiten bijwoonden, erin hen te ontvoeren.

In Damme krijgt Albert dan weer bezoek van de professor, die belangrijk nieuws heeft : "… luister : Er werd genoeg geld ingezameld om de heropbouw van de IJzertoren te beginnen. Als we op de toelage van de regering moeten wachten zijn we zalig. Een groot deel van het geld is in mijn brandkast. Het overige geld werd besteed om een deel cement en stenen aan te kopen. Morgen komt het materiaal in Diksmuide aan."[122]

Maar wat kon verwacht worden, gebeurt. Als de professor samen met Albert naar zijn huis gaat, ontdekt hij dat zijn brandkast leeggeplunderd is.  De dader is gevlucht, maar heeft wel een spoor achtergelaten : op de grond ligt een stukje papier van de Avondgazet. Daarop gaat Albert naar Gent, waar hij stilletjes de gebouwen van de krant binnendringt. En ja : daar zit de redactiesecretaris met een andere man én het geld[123]. De twee willen blijkbaar met het geld naar Diksmuide. Maar daar steekt Albert wel een stokje voor : hij leidt de twee af en vlucht met het geld.

De twee dieven rijden dan maar zonder het geld naar Diksmuide, maar mét Albert op het dak van hun auto. Een ideale positie om hen af te luisteren … zo blijkt dat ze op eigen houtje gehandeld hebben en dat Speek niet op de hoogte is dan de diefstal van het geld. Ze rijden een domein binnen waar zich een kasteel bevindt. Albert sluipt mee naar binnen en vindt er Tijl en Lamme terug. Samen slaan ze een bewaker neer en vragen hem om uitleg. "G-g-goed ! … Ik zal me … voor ene keer aan … de meerderheid … onderwerpen … Luister … Morgen komt er een eerste lading stenen en cement aan voor het bouwen van de IJzertoren. Vannacht zullen wij barricades opwerpen om de camions de doortocht te beletten. Dan zal Speek de werklieden van de fabrieken dwingen spontaan te staken als protest tegen de heropbouw van de Toren. Speek wou eerst Uilenspiegel het Vlaamse volk laten aanzetten te staken, maar die keikop wil niet, niettegenstaande bedreigingen en beloften …"[124]

De bewaker kan ontsnappen, maar Albert, Tijl en Lamme schieten in actie en verdelen de taken. Albert gaat de camions met materiaal tegemoet, zodat hij ze kan waarschuwen voor de barricades en hen de binnenwegen kan laten nemen. Tijl Uilenspiegel en Lamme Goedzak gaan naar de voornaamste fabriek van de streek om te trachten de arbeiders te overhalen zich te verzetten tegen de stakingspiketten.

En "ondertussen op de steenweg" : Speek en zijn mannen hebben zich verschanst achter een hoop oude zetels, meubels en kinderwagens. Ze worden trouwens meer en meer in het belachelijke getrokken : als Albert hen meedeelt dat het materiaal al lang in Diksmuide aangekomen is, trekken ze daarnaartoe en zingen onder weg het "bende-lied" : "Vivan bomma, patatten met saucissen !".[125]

Van hun kant hebben Tijl en Lamme wat meer moeite om de "spontaan" stakende arbeiders terug aan het werk te krijgen. Maar Albert helpt een handje, door met een reuzespandoek door de lucht te vliegen : "Arbeiders, de IJzertoren moet er komen ! Allen terug aan 't werk !"[126] Het helpt, de arbeiders keren terug naar de fabriek. Maar daar worden ze tegengehouden door de zonnebrillen : het draait uit op een gevecht, dat door de zonnebrillen verloren wordt. Het einde is nabij …

Maar Speek is nog niet verslagen, hij is zelfs een "duivels complot"[127] aan het smeden. Hij spreekt zijn mannen toe : "Makkers, deze keer hebben we die kerels liggen ! Wij organiseren een marsj op Brussel! … Redactie-secretaris van de Avond-Gazet, gij moet direct in actie schieten en in het nummer van morgen alle "serieuze" mensen oproepen voor de marsj op Brussel …"[128] En als hij de afluisterende Albert opmerkt, voegt hij toe : "Eer morgen de zon ondergaat zijn zelfs de puinen van uw toren niet meer te vinden !…"[129]

De drie hemelbewoners bespreken daarop de situatie. Er moet absoluut iets gedaan worden, maar wat ? Lamme heeft een idee : "Laat ons de Vlamingen oproepen en ook zo'n wandeling organiseren !"[130] Een radio-oproep moet voor de mobilisatie zorgen : "Volk van Vlaanderen ! De zonnebrillen rukken naar Brussel op als protest tegen de opbouw van de IJzer-toren ! Volg hun voorbeeld en kom ook naar de hoofdstad ! Deze keer zult gij aanvoerders hebben. Zij wachten u op de Grote Markt ! Zeg het voort !"[131]

De grote dag breekt aan en Tijl, Lamme en Albert gaan op café zitten op de Grote Markt en wachten daar op de aankomst van de Vlamingen. En ja, "Stillekens aan geraakt de markt vol volk. Uit alle hoeken van Vlaanderen zijn ze gekomen : Boeren, handelaars, arbeiders, klerken, doppers …"[132] Tijl begint de menigte toe te spreken, maar hij krijgt van Speek al snel een hard gekookt ei tegen zijn kop. De spanning stijgt in beide kampen en een gevecht ontstaat. Aan de "Ten aanval, kameraden" van Speek, beantwoordt Uilenspiegel met "Vlaanderen die Leu !".[133] En terwijl het volk "Weg met de Speek" roept, krijgt Tijl "de dikbuik" na een tijdje te pakken.[134] Hij geeft Speek zo'n harde slag dat zijn vals gebit uit zijn mond valt. Tijl roept het uit : "'k Heb hem liggen ! Hier is mijn overwinningstrofee ! Zijn gebit !".[135]

18

 
Overwinning ? Inderdaad, de Zonnebrillen zijn verslagen en slaan op de vlucht. Tijl roept zijn mannen op om naar meer valse gebitten te zoeken en spreekt ze toe : "We zullen deze historische vechtpartij "De slag der valse gebitten" noemen ! We zullen al die knauw-instrumenten als souvenir bewaren !". Dan gaat hij verder : "Mannen van Vlaanderen ! De opbouw van de IJzer-toren kan beginnen ! Wie wilt er meehelpen ? Dan gaat het rapper vooruit, hé !" Waarop het volk hem toejuicht en roept "Allemaal naar Diksmuide ! Vooruit !".[136] Waarna de IJzertoren terug opgebouwd wordt. Tijl, Lamme, Albert en de professor kijken fier en plechtig toe : de eer van Vlaanderen is gered !

 

15.5.6. De redders van Vlaanderen

Het is meer dan duidelijk wat de bedoeling van het verhaal is : Tijl en Lamme, de "symbolen van Vlaanderen" nemen het op tegen de "vijanden van Vlaanderen". Daarbij worden zowel elementen uit de zaak van de IJzertoren als uit de koningskwestie gebruikt. Bij de start van het verhaal in september 1950 is de koningskwestie al afgelopen, zodat het verhaal volledig na de feiten verteld wordt.

Om Tijl, Lamme en de andere Vlamingen te typeren, wordt gebruik gemaakt van allerlei typische Vlaamse en katholieke elementen : Tijl die in de hemel Pallieter leest en Rodenbach drinkt[137], het "hemelse Davidsfonds", de historische figuren op de lezing van Albert, de "Vlaamse Leeuw" die gezongen wordt, het katholieke boerengezin, het kruisbeeld in de slaapkamer van Tijl en Albert[138] en de duidelijke verwijzingen naar de Guldensporenslag tijdens de "slag der valse gebitten". Tijl en Lamme staan dus voor het goede en katholieke Vlaanderen.

De tegenstanders worden vooral gesymboliseerd door de figuur van Speek en zijn Zonnebrillers. Speek is "die meneer die vindt dat de grondwet gemaakt is om hem te ambeteren"[139], "hij zwierde de koning buiten"[140], hij maakt gebruik van ondemocratische praktijken zodat zijn democratische slogans alleen mooie woorden blijken te zijn, hij heeft een dubbele persoonlijkheid (zie zijn kleerkast) en hij zet een "duivels complot" op. Hij laat zijn pers anti-IJzertorenpropaganda voeren en heeft geen enkele eerbied voor de toren en zijn verdedigers : hij noemt de IJzertoren een "hoop stenen"[141], en wilt niets liever dan de vernietiging ervan. Ook wilt hij arbeiders dwingen "spontaan" te staken en deinst hij er niet voor terug mensen te bedreigen. Op verschillende momenten wordt hij totaal belachelijk gemaakt, onder andere als er gewezen wordt op zijn buikomtrek en met als hoogtepunt het verliezen van zijn vals gebit.

De organisatie die onder leiding van Speek staat, blijkt weer de Bende van de Zonnebrillen te zijn. Maar deze keer zijn de Zonnebrillers geen Duitsers, maar socialisten. Het woord kameraden valt meer dan eens en verschillende bendeleden lopen gekleed in een arbeiderskostuum. Niet alleen hun bedoelingen zijn slecht, ze gebruiken ook nog "laffe middelen"[142] zoals bomaanslagen om hun doel te bereiken. Onder hen bevinden zich ook de makers van de Gentse Avondgazet, die onder controle van Speek en co staat en anti-Vlaamse ideeën verspreidt.

De figuur van Speek verwijst, zoals al gezegd, overduidelijk naar de socialistische voorman Paul Henri Spaak. De auteur stelt Speek voor als de grote verantwoordelijke van alles wat er misloopt in Vlaanderen en België. De socialisten zijn dus de te bestrijden "vijanden van Vlaanderen". Net zoals op het einde van het verhaal, zouden Spaak en co in de echte wereld moeten verslagen worden om de situatie recht te trekken. Terwijl de eerste tekening van Speek - tijdens de dia-projectie - nog erg gelijkend was ten opzichte van de echte Spaak, valt die gelijkenis vanaf zijn tweede verschijning weg. Heeft De Moor zich ingehouden, of heeft de redactie van de krant hem aangezet tot matiging ? De verandering is alleszins merkwaardig en is blijkbaar algemeen. Met namen wordt nog verwezen naar bestaande personages, maar dit wordt niet meer doorgezet in de tekeningen (zoals bijvoorbeeld wel het geval was in het eerste verhaal met Pittler / Hitler). Aan de hand van de namen wordt nog verwezen naar de socialistische politici Isabelle Blume[143] (Madam Bloem) en Camille Huysmans[144] (Kameel). Ook de Vlaamse socialisten worden blijkbaar niet gespaard.

De Vlamingen worden voorgesteld als een volk dat zich veel te gemakkelijk laat doen, en dat moet beschermd en gestimuleerd worden om zijn "fierheid van vroeger"[145] terug te vinden. Want zoals Albert zegt, "Want nu mogen ze nog honderd keren meer de meerderheid hebben, dan laten ze zich nog in de doeken doen !"[146] De troonsafstand van Leopold III, ondanks de meerderheid bij de volksraadpleging, wordt blijkbaar moeilijk verteerd in de verhalen van de katholieke stripauteurs[147]. Tijdens de dia-voorstelling wordt het trouwens ook al gezegd, dat het erg is dat 42 % meer waard is dan 57,8 %. Maar : in het parlement hebben de koningsgezinden misschien toegegeven aan de anti's, Jan Breydel waarschuwt alvast dat het hier niet zal gaan zoals in Brussel. In Brussel, waar "kiekens"[148] voor bestemd zijn : voor Brussel algemeen of voor het parlement ? Ook op een ander moment wordt nog verwezen naar die meerderheid. Als de Zonnebriller Jules door de drie hemelbewoners neergeslagen wordt zegt hij : "G-g-goed ! … Ik zal me … voor ene keer aan … de meerderheid … onderwerpen"[149] Voor ene keer, waarmee duidelijk gewezen wordt op het feit dat de socialisten zich tijdens de koningskwestie van de meerderheid niets aangetrokken hebben. Maar met die Vlaamse fierheid komt het allemaal goed. Tijl en Lamme slagen erin een vrij algemene mobilisatie te bereiken : Vlamingen uit alle streken en standen komen naar Brussel en Diksmuide, zodat de Zonnebrillers verslagen worden en de IJzertoren heropgebouwd kan worden.

Ook enkele typische Belgische toestanden worden in het verhaal gehekeld. De Belgische "politieke knoeierijen"[150], het feit dat veiligheidsmaatregelen altijd genomen worden als het te laat is[151] en de slechte staat van de wegen[152].

Dit verhaal overtreft alle andere wat politieke inhoud betreft. Hier geen grappige verwijzingen : het verhaalthema is gewoon de strijd van de Vlamingen tegen hun tegenstanders, zijnde Speek en zijn Zonnebrillen. Dat Paul Henri Spaak als schietschijf gebruikt wordt, is niet zo verwonderlijk. In de coulissen van de koningskwestie stelde hij zich vrij gematigd op, maar naar de buitenwereld toe speelde hij het spel zeer hard. Zijn biograaf Michel Dumoulin beschrijft hem zelfs als een tribuun die de indruk gaf het volk naar de revolutie te willen leiden.[153] Op 27 juli 1950 hield Spaak zelfs een revolutionaire toespraak in de Kamer : "Jusqu'à présent la grève n'est dirigée que contre Léopold III. Si vous refusez de nous comprendre, elle sera le début d'une révolution (…). Je suis avec Danton contre Louis XVI, (…). La révolution ne me fait pas peur. Je sais qu'elle doit éclater quand les gens au pouvoir s'abstinent à ne pas reconnaître les faits."[154] Het Danton-thema wordt door De Moor dan ook gerecupereerd tijdens de dia-projectie.

Heel wat elementen van het verhaal zijn zo geïnspireerd op feiten uit de Koningskwestie : de stakingen, de Mars op Brussel (die de antileopoldisten aangekondigd hadden, maar die door de machtsoverdracht niet doorgegaan is) en natuurlijk …  de IJzertoren, die door een aanslag in 1946 volledig vernield werd. De toren wordt in het verhaal het symbool van de Vlaamse heropstanding, dat door Speek bestreden wordt. Na de nederlaag van de Zonnebrillen, wordt de toren dan ook heropgebouwd, vijftien jaar voor de nieuwe toren er in het echt zou staan. Tot slot nog even vermelden dat ook de homogene CVP-regering niet gespaard blijft : er wordt duidelijk gezegd dat ze nog lang kunnen wachten op de beloofde toelage van de regering.

Zoals in het historiek-deeltje al gezegd is, leunde Het Nieuws van den Dag nauw aan bij de CVP, nam de krant Vlaamsgezinde standpunten in en koos ze onvoorwaardelijk de kant van Leopold III. Het Vals Gebit ligt dan ook perfect in de lijn van de krant. Want ook de IJzertoren lag haar nauw aan het hart, in april 1950 wordt een steunlijst[155] voor de heropbouw van de toren in de krant gepubliceerd.

Wat Bob De Moor betreft, liggen de zaken wat moeilijker. Hij stond niet echt bekend als een flamingant, maar heeft rond die tijd wel verschillende "Vlaamse" verhalen afgeleverd : naast deze Tijl Uilenspiegel, maakte hij ook stripbewerkingen[156] van het werk van Conscience voor Kuifje.

Johan en Stefaan De Moor – zonen van – antwoorden in een interview op de vraag of hun vader een "romantische Vlaamsgezinde" was : "mmm, nee", "Ik denk dat dat nauw verbonden was met de krant en zo, de atmosfeer van die tijd. Een echte flamingant was Bob niet hoor."[157] Ook blijkt uit zijn ander werk dat uitgesproken standpunten, zoals in Het Vals Gebit, echt een uitzondering zijn.[158] In een interview zou De Moor het Vlaams engagement van Tijl Uilenspiegel zelfs toeschrijven aan een vriend.[159]

Waarschijnlijk is dit verhaal te danken aan een samenloop van allerlei omstandigheden. De Vlaamse tekenaars hadden een traditie om politiek in hun verhalen te verwerken, én in 1950 leenden de omstandigheden zich daar zeer goed toe. Vandersteen had bijvoorbeeld van mei tot september al zijn Koningskwestie-verhaal De Stalen Bloempot[160] afgeleverd. En aangezien De Moor voor een katholieke krant werkte, ging hij de standpunten van die krant in zijn verhaal verwerken. Het is ook heel goed mogelijk dat er vanuit de krant gevraagd[161] werd over deze kwestie een verhaal te maken.

 

15.6. Besluit

Het Nieuws van den Dag maakt qua stripbeleid dus verschillende periodes mee. In een eerste periode, die ongeveer loopt tot de overname van 't Vrije Volksblad, worden enkel Nederlandse strips gepubliceerd. Op uitzondering van Donny en Ronny gaat het telkens om ondertekststrips, die geleverd worden door Stripfilm en de Toonder-Studio's.

De periode na de overname, die een enorme stijging van het aantal lezers meebrengt, wordt gedomineerd door De avonturen van detectief Van Zwam van Marc Sleen, eerst in combinatie met een Nederlandse strip, vanaf mei 1949 alleen. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de krant met een probleem zit bij de overgang van Van Zwam naar Het Volk. Dit kan dan als de derde periode beschouwd worden : Het Nieuws van den Dag lost het probleem op door twee nieuwe verhalen te plaatsen van de auteurs Luc Droek en Raf Van Dijck. Maar dit schijnt geen voldoening te schenken, want ze worden na één verhaal vervangen door Bob De Moor en zijn Tijl Uilenspiegel. En ook verschijnt er terug een Nederlandse ondertekststrip : Aram van Piet Wijn. Het zijn dus externe gebeurtenissen – de overnames – die ervoor zorgen dat Het Nieuws van den Dag tegen 1950 zo'n dynamiek stripbeleid ontwikkelt. Anders was de krant waarschijnlijk alleen Nederlandse strips blijven publiceren.

Qua politieke inhoud van de verhalen gelden dezelfde periodes. De gepubliceerde Nederlandse strips blijven redelijk braaf. Dit verandert met de komst van Marc Sleen en zijn Van Zwam[162], die geregeld de politieke toer opgaan. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de opvolgers van Sleen – Droek, Van Dijck en De Moor – zijn voorbeeld gaan volgen. Droek gebruikt de Koude Oorlog en het belang van uranium, Van Dijck projecteert allerlei gebeurtenissen naar het imaginaire land Ruzië en De Moor klaagt simpelweg de Belgische wantoestanden aan en schrikt er daarbij niet voor terug politici als Paul Henri Spaak persoonlijk te viseren.

En met het gevaar in herhaling te vallen, ook de aandacht voor de strips volgt dezelfde periodes. In de eerste periode worden zelden aankondigingen geplaatst, tijdens de tweede periode wordt het een gewoonte, en in de derde periode plaatst men meerdere aankondigingen per verhaal om de aandacht van de lezer er zoveel mogelijk op te vestigen.

Wat de vermelding van de auteurs betreft, kan men zeggen dat het bij de buitenlandse reeksen meestal bij de handtekening blijft. De komst van Marc Sleen introduceert de auteursvermelding in de titel, en ook zijn opvolgers krijgen hun naam bij de titel. Uitzondering is het eerste verhaal van Uilenspiegel, maar dat wordt later goedgemaakt door de publicatie van een volledig artikel over de auteur.

Het Nieuws van den Dag groeide tussen 1946 en 1950 dus uit van een krant die strips lijkt te publiceren "omdat het zo moet" tot een krant met een echt stripbeleid en aandacht voor wat ze publiceert.

 

 



[1] Durnez (Gaston)2. Op. Cit., p. 158-171 ; Durnez (Gaston)6. Het Nieuws van den Dag. In : NEVB, Op. Cit., p. 2208-2209

[2] Nederlandse stripauteur, in 1919 geboren in Amsterdam. Van Elk bracht in 1942 zijn eerste strip uit in eigen beheer. De avonturen van Bim werden nog tijdens de Tweede Wereldoorlog opgestart. De eerste drie verhalen verschenen rechtstreeks in boekvorm, en vanaf 1945 verscheen de reeks in een groot aantal Nederlandse regionale bladen. Verder verscheen zijn reeks Terry en Berry van 2 augustus 1945 tot 8 december 1945 in Het Parool en werkte hij mee aan het blad Stripfilm. (Kousemaker (Evelien) & Kousemaker (Kees) (red.). Op. Cit., p. 131-132)

[3] Nederlands stripauteur, medewerker van Stripfilm. (Stripfilm. Op : http://www.lambiek.net/aanvang/stripfilm.htm - 1/5/2003)

[4] Ondertekststrip van de Nederlandse Mies Deinum, geboren in 1907. Ze was voornamelijk actief als schilderes, maar werkte rond 1936 twee jaar als illustratrice. In de tweede helft van de jaren 1930 maakte ze drie strips, waaronder Sambo de Olifant en Myra. Sambo, waarvan ze zowel de tekst als de tekeningen verzorgde, verscheen in 1937 in boekvorm. Ook op Myra werkte ze alleen, het verhaal verscheen in 1940 in de Nederlandse pers. (Mies Deinum. Op : http://www.lambiek.net/aanvang/deinum.htm - 21/4/2003)

[5] Nederlandse stripauteur, in 1927 geboren in Amsterdam. Tijdens de oorlog werkte hij bij de Toonderstudio's, en na de bevrijding kwam hij terecht bij de "Stripfilm"-groep. Daar ontwierp hij in 1946 Donny en Ronny. (Kousemaker (Evelien) & Kousemaker (Kees) (red.). Op. Cit., p. 106 ; Albert Van Beek. Op : http://www.lambiek.net/aanvang/beek_albert_van.htm - 21/4/2003)

[6] Nederlandse stripauteur, in 1912 geboren in Amsterdam. Tijdens de oorlog werkte hij met Marten Toonder, waarvoor hij Tom Poes vier maanden overnam. Na de oorlog lanceerde hij zijn reeks Tekko Taks, die in de Nederlandse krant Trouw verscheen. Voor deze reeks kreeg Kabos voor de inkting en de teksten hulp van James Ringrose. (Kousemaker (Evelien) & Kousemaker (Kees) (red.). Op. Cit., p. 157 & 218)

[7] Henk Kabos. Tekko Taks. (HNvdD, 18/12/1947)

[8] In deze strip verschijnen soms Engelstalige opschriften in het decor, wat dus wijst op een Engelse of Amerikaanse oorsprong. Er  wordt geen copyright vermeld.

[9] Op 2 juni 1948, p. 1  wordt in 't Vrije Volksblad wel uitleg gegeven over de overname, maar er wordt daarbij niets gezegd over de strips.

[10] Voor meer informatie, zie deel over Le Matin.

[11] Bijvoorbeeld HNvdD, 29/9/1949, p. 1 ; 5/10/1949, p. 3 ; 10/12/1949, p. 1 ; …

[12] Auwera (Fernand) & Smet (Jan). Op. Cit., p. 61

[13] Belgische kunstenaar, geboren in Gent in 1922. Landuyt volgde les aan de Academie van Kortrijk en werd bekend als schilder, graficus, ontwerper van theaterdecors, juwelen, … (Piron (Paul). Op. Cit., p. 808)

[14] Auwera (Fernand) & Smet (Jan). Op. Cit., p. 125, zie interviewfragment.

[15] HNvdD, aankondiging op 22/3/1950, p. 1

[16] HNvdD, aankondiging op 22/3/1950, p. 1

[17] Vanaf 7/4/1950.

[18] Lucien De Roeck werd in 1915 in Dendermonde geboren en werd opgeleid aan Ter Kameren onder leiding van J. Minne. Vanaf 1934 begon hij affiches te ontwerpen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte hij voor de Nationale Voedingscorporatie. In 1958 werd hij leraar typografie aan Ter Kameren. De Roeck heeft ook talloze kunstenaars, waaronder Pierre Alechinsky, opgeleid. (Piron (Paul). Op. Cit., p. 418 ; Füeg (Jean-François). La Lanterne. Un nouveau quotidien à la libération. In : Cahiers d'histoire du temps présent, 1996, nr. 1, p. 44-46).

Piron vermeldt het pseudoniem Luc Droek niet. Verschillende elementen doen echter vermoeden dat Droek en De Roeck dezelfde persoon zijn. Allereerst het feit dat ik de naam Luc Droek nergens heb kunnen terugvinden (op dit ogenblik bestaat de naam "Droek" in België zelfs niet, zie www. familienamen.be), terwijl er in de aankondiging sprake is van een "zeer befaamde kunstenaar". Verder maakt het feit dat hij als illustrator en lay-outman meewerkte aan kranten, deze hypothese waarschijnlijker. De overeenkomende tekenstijl geeft de doorslag.

[19] Raf Van Dijck. De avonturen van Kwik en Filidoor, Anna Bouzilowna, str. 1 (HNvdD, 23/3/1950)

[20] Idem, str. 2 (HNvdD, 24/3/1950)

[21] Idem, str. 3 (HNvdD, 25/3/1950)

[22] Idem, str. 4 (HNvdD, 25/3/1950)

[23] Idem, str. 5 (HNvdD, 28/3/1950)

[24] Idem, str. 7 (HNvdD, 29/3/1950)

[25] Idem, str. 11 (HNvdD, 31/3/1950)

[26] Idem, str. 9 (HNvdD, 30/3/1950)

[27] Idem, str. 9 (HNvdD, 30/3/1950)

[28] Idem, str. 14 (HNvdD, 1/4/1950)

[29] Idem, str. 15 (HNvdD, 3/4/1950)

[30] Idem, str. 14 (HNvdD, 1/4/1950)

[31] Idem, str. 23 (HNvdD, 7/4/1950)

[32] Idem, str. 51 (HNvdD, 24/4/1950)

[33] Idem, str. 56 (HNvdD, 26/4/1950)

[34] Idem, str. 58 (HNvdD, 27/4/1950)

[35] Idem, str. 61 (HNvdD, 29/4/1950)

[36] Idem, str. 63 (HNvdD, 1/5/1950)

[37] Idem, str. 65 (HNvdD, 2/5/1950)

[38] Idem, str. 73 (HNvdD, 6/5/1950)

[39] De verkiezingsuitslagen worden door de radio bekendgemaakt : "Aantal kiezers : 875.286. Stemmen voor Bouzilow : 875.285. Onthoudingen : 1" (Idem, str. 75 - HNvdD, 8/5/1950)

[40] Idem, str. 76 (HNvdD, 8/5/1950)

[41] Idem, str. 64 & 84 (HNvdD, 1/5/1950 & 12/5/1950)

[42] Idem, str. 87 (HNvdD, 16/5/1950)

[43] "Zamba hier … zamba daar …"

[44] Idem, str. 94 (HNvdD, 19/5/1950)

[45] Idem, str. 97 (HNvdD, 23/5/1950)

[46] Idem, str. 102 (HNvdD, 25/4/1950)

[47] Idem, str. 105 (HNvdD, 27/5/1950)

[48] Idem, str. 110 (HNvdD, 30/5/1950)

[49] Idem, str. 41 (HNvdD, 18/4/1950)

[50] Idem, str. 113 (HNvdD, 1/6/1950)

[51] Idem, str. 115 (HNvdD, 2/6/1950)

[52] Idem, str. 7 (HNvdD, 29/3/1950)

[53] Idem, str. 46 (HNvdD, 20/4/1950)

[54] Dujardin (Vincent)1. Gaston Eyskens tussen koning en regent. België 1949-1950, een sleuteljaar. Amsterdam/Antwerpen, Meulenhoff/Kritak, 1996, p. 135-140

 

[55] Idem, str. 10 (HNvdD, 30/3/1950)

[56] Idem, str. 5 (HNvdD, 28/3/1950)

[57] Idem, str. 21 (HNvdD, 6/4/1950). Gesprek tussen Kwik en Filidoor : "Vluchten ? Hoe ? Komt de luchtbrug niet langs hier ?", "Ja, maar die stopt hier niet."

[58] Idem, str. 37-38 (HNvdD, 15/4/1950)

[59] Idem, str. 66 (HNvdD, 2/5/1950)

[60] Idem, str. 20 (HNvdD, 5/4/1950). "Waart ge niet liever in uw fleske meneer Kwik ?", "Nee, de huisbaas vroeg opslag en de wet op de huishuur vervalt binnen kort."

[61] Archief van de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, 1889-1996. Op : http://www.nationaalarchief.nl/knvb/knvb/knv2232.htm (24/4/2003)

[62] HNvdD, aankondiging op 23/3/1950, p. 1

[63] Luc Droek. De uitvinding van Klawieter, de strijd om het uranium, str. 10 (HNvdD, 4/4/1950)

[64] Idem, str. 17 (HNvdD, 8/4/1950)

[65] Idem, str. 20 (HNvdD, 10/4/1950)

[66] Idem, str. 63 (HNvdD, 8/5/1950)

[67] Idem, str. 69 (HNvdD, 11/5/1950)

[68] Idem, str. 71 (HNvdD, 12/5/1950)

[69] Idem, str. 92 (HNvdD, 26/5/1950)

[70] Idem, str. 94 (HNvdD, 27/5/1950)

[71] Idem, str. 105 (HNvdD, 6/6/1950)

[72] Idem, str. 109 (HNvdD, 8/6/1950)

[73] Idem, str. 79 (HNvdD, 17/5/1950)

[74] Idem, str. 29 (HNvdD, 14/4/1950)

[75] Idem, str. 2 (HNvdD, 25/3/1950)

[76] Idem, str. 5 (HNvdD, 29/3/1950)

[77] Idem, str. 45 (HNvdD, 24/4/1950)

[78] Idem, str. 39 (HNvdD, 20/4/1950)

[79] Idem, str. 3 & 16 (HNvdD, 27/3/1950 & 7/4/1950)

[80] Sus en Bill reizen per kameel door de woestijn en komen een bron tegen met een bord : "De bron is uitgedroogd. Drink Hoca-Hola." (Idem, str. 56 - HNvdD, 3/5/1950)

[81] Idem, str. 73 (HNvdD, 13/5/1950)

[82] Idem, str. 98 (HNvdD, 31/5/1950)

[83] HNvdD, aankondiging op 21/5/1950, p. 1

[84] Nederlandse stripauteur, in 1929 geboren in Hilversum. Na zijn tekenopleiding werd hij in 1947 medewerker van de Toonderstudio's. Daar werkte hij aanvankelijk op de tekenfilmafdeling, zijn eerste strip volgde in 1948. In 1951 startte hij in Tom Poes-weekblad met Aram van de eilanden, waarvan de tekst geschreven werd door Toonderstudio-medewerker Waling Dijkstra. (Kousemaker (Evelien) & Kousemaker (Kees) (red.). Op. Cit., p. 234 ; Piet Wijn. Op : http://www.lambiek.net/aanvang/wijn.htm - 21/4/2003 & Schulte (Koos). Piet Wijn, de weg wijst zich vanzelf. In : Stripschrift, jg. 26, nr. 267 (1993/10), p. 4) Aram staat al vanaf juni 1950 in Het Nieuws van den Dag. Toch wordt in de literatuur elke keer 1951 als startdatum vermeld. Het is daarom niet uitgesloten dat Het Nieuws van den Dag, net als Het Laatste Nieuws voor Eric de Noorman, de eerste publicatie in handen gekregen heeft. En door het publiceren van een Eric de Noorman-achtige strip was het waarschijnlijk de bedoeling om de collega's van Het Laatste Nieuws te beconcurreren.

[85] HNvdD, aankondiging op 6/6/1950, p. 1

[86] Bob De Moor. In : De Maesschalck (Edward). Ten huize van …. Brussel, BRT, 1991, p. 37-41 ; De Laet (Danny) & Varende (Yves). Op. Cit., p. 120-121

[87] Smet (Jan) e.a. Op. Cit., p. 23-27 ; Bob De Moor. In : De Maesschalck (Edward). Op. Cit., p. 42-43 ; ; De Laet (Danny) & Varende (Yves). Op. Cit., p. 120-121 ; De Laet (Danny)1. Op. Cit., p. 39-40

[88] Beyen (Roland). Charles de Coster. In : NEVB,  Op. Cit., p. 806-807 ; Simons (Ludo). Tijl Uilenspiegel. In : NEVB, Op. Cit., p. 3067-3068

[89] HNvdD, aankondiging op 21/5/1950, p. 1

[90] Bob De Moor. De Nieuwe Avonturen van Tijl Uilenspiegel, str. 36 (HNvdD, 10/6/1950)

[91] Idem, str. 53 (HNvdD, 21/6/1950)

[92] Vlaanderen en België worden in het verhaal constant door elkaar gebruikt. Er moet dus niets speciaals achter gezocht worden.

[93] Idem, str. 132 (HNvdD, 7/8/1950)

[94] Idem, str. 132 (HNvdD, 7/8/1950)

[95] Idem, str. 133 (HNvdD, 8/8/1950)

[96] Idem, str. 173 (HNvdD, 2/9/1950)

[97] Idem, str. 52 (HNvdD, 20/6/1950)

[98] Idem, str. 82 (HNvdD, 7/7/1950)

[99] Idem, str. 30 (HNvdD, 7/6/1950)

[100] Wie is de tekenaar van : De nieuwe avonturen van Tijl Uilenspiegel ? In : Het Nieuws van den Dag, 7/9/1950, p. 1 & 3

[101] HNvdD, aankondiging van 7/9/1950, p. 1

[102] Gezien de inhoud van het verhaal, is de samenvatting ervan redelijk lang uitgevallen. Dit is echter nodig om alle elementen goed tot hun recht te laten komen.

[103] Bob De Moor. Het Vals Gebit, str. 5-6 (HNvdD, 11/9/1950)

[104] Idem, str. 6 & 7 (HNvdD, 11/9/1950 & 12/9/1950)

[105] Idem, str. 8 (HNvdD, 12/9/1950)

[106] Idem, str. 9 (HNvdD, 13/9/1950)

[107] Idem, str. 19 (HNvdD, 19/9/1950)

[108] Idem, str. 19 (HNvdD, 19/9/1950)

[109] Idem, str. 22 & 23 (HNvdD, 20/9/1950 & 21/9/1950)

[110] Idem, str. 23 (HNvdD, 21/9/1950)

[111] Idem, str. 37 HNvdD, 29/9/1950)

[112] Idem, str. 41 (HNvdD, 2/10/1950)

[113] Idem, str. 46 (HNvdD, 4/10/1950)

[114] Idem, str. 52 (HNvdD, 7/10/1950 (str. 52)

[115] Op één bepaald moment (Idem, str. 154 - HNvdD, 6/12/1950) roept één van de zonnebrillen "alerte". Voor de rest is er geen Frans taalgebruik te bespeuren.

[116] Idem, str. 73 (HNvdD, 20/10/1950)

[117] Idem, str. 75-76 & 77-78 (HNvdD, 21/10/1950 & 23/10/1950)

[118] Ook hier wordt ingespeeld op de reële situatie. De socialisten stelden hun strijd tegen Leopold III voor als een "strijd voor het behoud van de politieke democratie". (Theunissen (Paul). Op. Cit., p. 116)

[119] Idem, str. 80 (HNvdD, 24/10/1950)

[120] Idem, str. 90 (HNvdD, 30/10/1950)

[121] Aangezien deze krant in Gent uitgegeven wordt, is er veel kans dat de Voruit geviseerd wordt.

[122] Idem, str. 124 (HNvdD, 18/11/1950)

[123] Eén van de twee heet blijkbaar Alois… (Idem, str. 131 - HNvdD, 23/11/1950)

[124] Idem, str. 150 (HNvdD, 4/12/1950)

[125] Idem, str. 160 & 161-162 (HNvdD, 9/12/1950 & 11/12/1950)

[126] Idem, str. 162 (HNvdD, 12/12/1950). De stroken 161-162 komen twee keer voor.

[127] Idem, str. 172 (HNvdD, 18/12/1950)

[128] Idem, str. 172 & 173 (HNvdD, 18/12/1950 & 19/12/1950)

[129] Idem, str. 174 (HNvdD, 19/12/1950)

[130] Idem, str. 176 (HNvdD, 20/12/1950)

[131] Idem, str. 178 (HNvdD, 21/12/1950)

[132] Idem, str. 180 (HNvdD, 22/12/1950)

[133] Idem, str. 182 & 183 (HNvdD, 23/12/1950 & 25/12/1950)

[134] Idem, str. 181-186 (HNvdD, 23/12/1950 – 27/12/1950)

[135] Idem, str. 186 (HNvdD, 27/12/1950)

[136] Idem, str. 187-188 (HNvdD, 28/12/1950)

[137] Idem, str. 1 (HNvdD, 8/9/1950)

[138] Idem, str. 49 (HNvdD, 6/10/1950)

[139] Idem, str. 6 (HNvdD, 11/9/1950)

[140] Idem, str. 20 (HNvdD, 19/9/1950)

[141] Idem, str. 80 (HNvdD, 24/10/1950)

[142] Idem, str. 37 (HNvdD, 29/9/1950)

[143] Isabelle Blume, socialistische politica, geboren in 1892. Van 1936 tot 1954 was ze Kamerlid. Na de Tweede Wereldoorlog pleitte ze voor de wereldvrede en tegen herbewapening. In 1955 werd ze op verzoek van Spaak, van wie ze een tegenstander was, uit de BSP gezet. Ze sloot zich dan aan bij de communisten. (Isabelle Blume. Op : Winkler Prins Encarta Encyclopedie 2001 ; Delwit (Pascal). L'anticommunisme comme instrument de mobilisation du parti socialiste belge. In : Delwit (Pascal) & Gotovitch (José) (red.). La peur du rouge. Editions de l'Université de Bruxelles, 1996, p. 132)

[144] Camille Huysmans, socialistisch politicus, geboren in 1871. Tijdens het interbellum speelde hij een belangrijke rol in de Vlaamse Beweging en vanaf 1933 was hij burgemeester van Antwerpen. Huysmans was na de oorlog van augustus 1946  tot maart eerste minister van een linkse regering. En in de daaropvolgende regering-Spaak minister van Onderwijs. Bij de dynamitering van de Ijzertoren in 1946 klaagde hij het katholieke karakter van het monument aan. (Hunin (Jan). Camille Huysmans. In : NEVB, Op. Cit., p. 1497-1501 ; Camille Huysmans. Op : Winkler Prins Encarta Encyclopedie 2001)

[145] Idem, str. 22 (HNvdD, 20/9/1950)

[146] Idem, str. 22 (HNvdD, 20/9/1950)

[147] Onder andere Marc Sleen, Willy Vandersteen en Raf Van Dijck zouden het er ook over hebben.

[148] Idem, str. 90 (HNvdD, 30/10/1950)

[149] Idem, str. 150 (HNvdD, 4/12/1950)

[150] Idem, str. (HNvdD, 16/9/1950 (str. 15)

[151] Idem, str. (HNvdD, 4/10/1950 (str. 46)

[152] Idem, str. (HNvdD, 30/11/1950 (str. 144)

[153] Dumoulin (Michel). Spaak. Bruxelles, Racine, 1999, p. 358

[154] Dumoulin (Michel). Op. Cit., p. 368

[155] HNvdD, steunlijst voor de Ijzertoren, o.a. 13/4/1950, p. 7

[156] De Leeuw van Vlaanderen (1949-1950) & De Kerels van Vlaanderen (1952).

[157] Vranken (Patrick) & Smits (Jean). Snoe en Snolleke, vijftig jaar later (interview met Johan en Stefaan De Moor). In : Brabant Strip Magazine, nr. 89 (2001/6), p. 5

[158] Smet (Jan) e.a. Op. Cit., p. 6

[159] Smet (Jan) e.a. Op. Cit., p. 27

[160] Zie De Standaard.

[161] Uit de getuigenis van Octave Landuyt blijkt duidelijk dat de redactie zich wel degelijk bezighield met de inhoud van de verhalen.

[162] Zie De Nieuwe Gids.