Inhoudstafel

Startpagina

 

 

12. Le Drapeau Rouge

 

12.1. Historiek en Situering

 

12.2. Een beloftevolle start die op niets uitdraait

12.2.1. Les Trafiquants de Tchoung-King

12.2.2. Sporadische strippublicaties

 

12.3. "La vie héroïque du colonel Fabien"

12.3.1. De feiten

12.3.2. Het verhaal

12.3.3. Hagiografische propaganda

 

12.4. Besluit

 

 

 

12. Le Drapeau Rouge

 

12.1. Historiek en situering

Le Drapeau Rouge, de publicatie van de "Parti Communiste de Belgique" is in oktober 1921 ontstaan als weekblad, een maand na de oprichting van de PCB. Vanaf 1 januari 1924 werd de publicatie dagelijks, om in 1929 weer wekelijks te worden. In 1936 deed Joseph Jacquemotte een nieuwe poging om een communistisch dagblad op te richten, en de titel werd "La Voix du Peuple". In oktober 1939 werd deze krant echter door de regering van Nationale Unie verboden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verscheen Le Drapeau Rouge als clandestiene krant.

Op 5 september 1944 verschijnt het dan terug als dagblad. Le Drapeau Rouge zou echter nooit een grote krant worden door een gebrek aan financiële middelen.  Om de krant in leven te houden moet er al snel beroep gedaan worden op bijdragen van militanten. Met ingezamelde gelden wordt in 1948 een eigen drukkerij opgericht. Met de oplage gaat het ook al snel de verkeerde richting uit. Volgens Rode Vaan-hoofdredacteur Bert Van Hoorick had Le Drapeau Rouge in 1945 een oplage in de 60.000 exemplaren. Een schatting van Het Laatste Nieuws-medewerker Marcel Stijns geeft voor 1951 nog 3000 exemplaren.[1]

Net zoals haar Vlaams broertje De Roode Vaan, kent Le Drapeau Rouge onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog dus een redelijk succes, onder andere door het feit dat alle kranten door het papiertekort in een gelijke concurrentiepositie terechtkomen. Als het papiertekort ten einde is, moet de communistische pers het afleggen tegenover de andere kranten, die al snel meer te bieden hebben. Maar ook andere elementen zijn verantwoordelijk te stellen voor het tanend succes van de communistische pers : het anti-communisme dat gepaard gaat met de opkomende Koude Oorlog en het onvermogen van de krant om zich af te stemmen op de verwachtingen van haar publiek.[2]

De communistische pers verschilt namelijk van de andere kranten, in die zin dat ze eigenlijk vooral een propaganda-instrument is voor de politiek van de Communistische Partij. De bedoeling is niet alleen het nieuws te brengen, maar vooral de lezer te overtuigen van het gelijk van het communisme.[3] Het "Jaarboek van de Belgische Pers" vermeldt voor 1950 Jean Terfve als directeur[4] en Pierre Joye als hoofdredacteur van de krant.[5] Voor de onmiddellijke naoorlog vermeldt Aloïs Gerlo (oud-hoofdredacteur van De Roode Vaan) Felix Coenen als hoofdredacteur, maar deze werd snel aan de kant gezet.[6]

De eerste twee weken verschijnen Le Drapeau Rouge en De Roode Vaan nog samen, elk op een kant van een blad. Vanaf 18 september gaan ze als ééntalige publicaties verder. Le Drapeau Rouge vermeldt als ondertitel "Organe Central du Parti Communiste de Belgique" of een variant[7] ervan. In 1946 telt de krant dagelijks 4 pagina's, in 1950 4 à 6 pagina's. De prijs wordt al op 1 juli 1949 op 1,50 frank gebracht, nog maar eens een illustratie van de slechte financiële positie van het blad.

 

12.2. Een beloftevolle start die op niets uitdraait

12.2.1. Les Trafiquants de Tchoung-King

De eerste sporen van strips in Le Drapeau Rouge vinden we in juni en juli 1945, wanneer enkele gagstroken van een zekere Arno gepubliceerd worden. Deze tekstloze strookjes zijn echter geen lang leven beschoren, en het zou wachten zijn tot december van dat jaar om weer een strip tegen te komen.

Op donderdag 6 december 1945 worden namelijk de eerste twee stroken van "Les Trafiquants de Tchoung-King" gepubliceerd op een pagina met als titel "Bonjour St-Nicolas !". De publicatie zou wekelijks voortgezet worden tot einde maart 1946 op de pagina "Femme et Famille" van de krant. "Les Trafiquants" is een ballonstip die in een zeer nette "klare lijn"-stijl getekend is en er heel aantrekkelijk uitziet.

Het verhaal draait rond Ming-Ho en Dick, twee bemanningsleden van de Amerikaanse cargo "Tenessee" die in januari 1938 aanlegt in Hong Kong. In een Amerikaanse bar komt het tot een gevecht tussen de twee bemanningsleden en een zekere Julius, waardoor ze in het ziekenhuis belanden. Als ze drie weken later het ziekenhuis mogen verlaten en de intrige eindelijk schijnt te beginnen, stopt plots de publicatie van het verhaal. Het is dan ook moeilijk uit te maken waar de auteur naartoe wou … Spijtig, want het verhaal zag er kwalitatief heel goed uit.

De auteur, een zekere "Saint Thiers", wordt alleen vermeld door middel van zijn handtekening. Er zijn in de krant verder geen aankondigingen over het verhaal of andere tekeningen van zijn hand te vinden en het pseudoniem "Saint Thiers" is verder onbekend. Verschillende elementen[8] wijzen echter uit dat het verhaal waarschijnlijk origineel materiaal is.

BCB-medewerker Jean-Claude de la Royère schrijft het verhaal met zekerheid toe aan Maurice Tillieux, een Belgische tekenaar die in de jaren 1940 zijn eerste stappen in de stripwereld zette en in de jaren 1960 zeer bekend zou worden door zijn werk voor Uitgeverij Dupuis. Een vergelijking van de stijl van "Les Trafiquants" en van het vroege werk van Tillieux bevestigt inderdaad die toeschrijving. Zowem de lettering als de tekenstijl (vooral dan de manier om neuzen en monden te tekenen) komen overeen met ander werk van Tillieux.

Maurice Tillieux werd op 8 augustus 1921 geboren in het Waalse stadje Huy. Zoals van bekende tekenaars wel eens gezegd wordt, toonde hij al op zeer jonge leeftijd een grote interesse in schrijven en tekenen. En tegen het einde van de jaren 1930 slaagde hij erin tekeningen te publiceren in de Dupuis-tijdschriften Le Moustique en Spirou. Dit gebeurde via Spirou-hoofdredacteur Jean Doisy, buurman en vader van één van de klasgenoten van Tillieux. Zijn echte passie was echter de scheepvaart. Na zijn middelbare studies volgde hij lessen op de scheepvaartscholen van Oostende en Antwerpen, waar hij in 1940 zijn diploma van aspirant-officier behaalde. Maar de oorlog kwam een stokje voor zijn plannen steken.

Tijdens de oorlog probeerde hij de verplichte tewerkstelling te ontwijken door naar Frankrijk te vluchten, maar hij kwam al snel terug. Hij kwam tijdens deze oorlogsperiode op verschillende manieren aan de kost : zo was hij decorator, publicitair schilder, maakte hij illustraties voor de Dupuis-publicaties en schreef hij een roman, "Le Navire qui tue ses capitaines",  die zich natuurlijk afspeelt op een schip. 

In 1945 publiceerde hij de strip Browil in het verzetsblad Le Pavé. En in hetzelfde jaar ging hij zich op aanraden van Jean Doisy aanbieden bij "Studio Guy". Deze studio, onder leiding van Guy Depière, gaf toen het jeugdblad Bimbo uit. En een jaar later kwamen daar de titels Jeep en Blondine bij. In Bimbo publiceerde Tillieux onder een ganse hoop Amerikaans klinkende pseudoniemen : John Cliff, James Jhames, Ronald Scott, Jill Morisson. Bij zijn tekeningen liet hij zich beïnvloeden door de stijl van Hergé en van Amerikaanse voorbeelden. Hij publiceerde in 1945 ook drie kinderboeken en werkte vanaf 1947 mee aan de nieuwe publicatie Heroic-Albums, waarvoor hij het personage Bob Bang zou scheppen, niet toevallig een zeeman.[9] Net zoals de hoofdpersonages van "Les Trafiquants" zeelieden zijn.

De eerder vermelde Jean Doisy zou de link kunnen zijn tussen Maurice Tillieux en Le Drapeau Rouge. Doisy, eigenlijk een pseudoniem voor Georges Evrard, was een "militant communiste convaincu"[10] , was lid van de KPB en bezat er blijkbaar goede connecties[11]. Het is dus heel goed mogelijk dat iemand van Le Drapeau Rouge Doisy benaderd heeft met de vraag of hij een striptekenaar kende die iets wilde maken voor de krant.

Voor de vroegtijdige stopzetting van het verhaal zijn er verschillende mogelijkheden. Besparingen zouden de reden kunnen zijn, een eigen tekenaar kost natuurlijk wel iets. Maar heel wat andere redenen[12] zijn mogelijk. Zo is het heel goed mogelijk dat het verhaal de verantwoordelijken van Le Drapeau Rouge niet beviel, of dat ze inspraak[13] eisten in de inhoud van het verhaal, en dat Tillieux dit weigerde.

Het gebruik van het pseudoniem Saint Thiers[14] kan een middel zijn om niet met zijn naam in de communistische pers te verschijnen, maar het kan ook gewoon een gewoonte zijn, zoals hij zijn werk in Bimbo ook ondertekende met pseudoniemen.

 

12.2.2. Sporadische strippublicaties

Na dit verhaal zouden strips slechts nog sporadisch in Le Drapeau Rouge opduiken, en dan nog alleen op de jeugdpagina. Vanaf 26 april 1946 wordt namelijk op donderdag de pagina "Ohé, les jeunes" gepubliceerd. "Femme et Famille" verhuist naar de zaterdag en zal verder geen strips meer bevatten.

"Ohé, les jeunes" wordt meestal gevuld met allerlei artikels en neemt dus ook soms strips op. Van september tot november 1948 worden vijf afleveringen van "Renard" gepubliceerd. Deze afleveringen vertellen telkens een streek van Reinaert de Vos. Deze stroken met ondertekst, en een nogal extravagante lay-out, zijn van de hand van de Fransman Roger Bussemey[15], die vanaf 1946 voor Franse kranten en tijdschriften werkte, waaronder het communistische l'Humanité.

Verder duiken ook nog vier gagstroken (twee in 1948, twee in 1950) van R. Mas[16] op (met de personages Anatole, Barbichette en Bec d'Or) en de geïllustreerde verhalen[17] van Bec d'Or. Deze verhalen, die soms in de vorm van strips gemonteerd worden, zijn geïllustreerd door diezelfde R. Mas of door C. Arnal. Deze Bec d'Or-verhalen werden oorspronkelijk gepubliceerd in de wekelijks jeugdbijlage van L'Humanité.

 

12.3. "La vie héroïque du colonel Fabien"

De laatste strip die moet vermeld worden heeft een hoog propagandagehalte. In januari en februari 1950 wordt in "Ohé, les jeunes" het verhaal "Fabien, héros de légende" gepubliceerd, het verhaal van een Franse verzetsheld tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het gaat om een verstripte biografie, of beter hagiografie van de Franse communistische verzetsman Pierre Georges, ook wel bekend als "Colonel Fabien". In zeven afleveringen[18] van twee stroken geeft auteur Maurice Damois een overzicht van zijn heldendaden.

In 1945 publiceerde Albert Ouzoulias, strijdmakker van Fabien, het hagiografische "La vie héroïque du colonel Fabien" in boekvorm[19]. Het is dan ook niet uitgesloten dat auteur Maurice Damois zich hierop baseerde om zijn stripadaptatie te maken. Damois was in de jaren 1950-1952 als striptekenaar actief in de Franse communistische dagbladpers (Ce Soir, L'Humanité, Le Patriote), en werkte daarbij samen met verschillende scenaristen.[20]

 

12.3.1. De Feiten

De Franse Communistische Partij ontstond in 1920. In het midden van de jaren 1930 integreerden de communisten in het Franse politiek leven, door hun deelname aan de Volksfrontregering van Leon Blum. Tijdens de Spaanse burgeroorlog stuurde de PCF vrijwilligers naar Spanje, om er samen met de republikeinen te vechten tegen de troepen van Franco. Frankrijk bleef ondertussen een non-interventiebeleid voeren.

Maar tegen de vooravond van de Tweede Wereldoorlog raakten de Franse communisten meer en meer geïsoleerd. Toen het parlement moest stemmen over de akkoorden van Munchen, waarin Tsjechoslowakije werd opgeofferd aan Duitsland, verzetten de communisten er zich als enigen tegen.

De Franse communisten werden verrast door het Molotov-Von Ribbentrop-akkoord, een niet-aanvalspact tussen Duitsland en de Sovjetunie, waarin ook een verdeling van Polen geregeld werd. Aangezien ze aan de kant van de USSR stonden, konden de Franse communisten het akkoord niet veroordelen. Ze kwamen dan ook in een zeer netelige positie terecht en wisten eigenlijk niet goed hoe ze antifascisme en communisme in zo'n context met elkaar moesten verenigen. De officiële richtlijnen luidden dat de oorlog een imperialistische oorlog was waar ze eigenlijk niets mee te maken hadden, en waar ze zich dus moesten buitenhouden.

Vooral omdat Hitler op 1 september 1939 nu ook Polen binnenviel, na Oostenrijk en Slowakije het zoveelste slachtoffer van de Duitse expansiedrang. Twee dagen later verklaarde Frankrijk Duitsland de oorlog en werd de algemene mobilisatie afgekondigd.

Eerste minister Daladier verbood de PCF op 26 september 1939, na een maand eerder de communistische pers al verboden te hebben. Communistische parlementsleden werden afgezet en communistische militanten gingen ofwel clandestien, ofwel de gevangenis in. Duizenden communisten werden toen gearresteerd. Maar clandestien probeerde men onder andere het verspreiden van pamfletten en kranten verder te zetten. Ondertussen werd het anticommunisme nog versterkt door de Russische inval in Finland, eind november 1939.

Op 10 mei 1940 was het dan zover : Hitler zette de westelijke aanval in en overrompelde België, Nederland en Frankrijk. De Franse regering was verdeeld over de houding die ze moest aannemen tegen de Duitse overmacht : capituleren betekende enkel dat het leger de strijd opgaf, een wapenstilstand betekende echt een politieke onderwerping aan de Duitsers. De tweede mogelijkheid haalde het. Op 22 juni 1940 aanvaardden de Fransen de Duitse voorwaarden : het land werd onder andere in twee zones verdeeld. Het Noordelijk en het Atlantisch gebied (met o.a. Parijs) werden bezet door de Duitsers. Het Zuidelijk gebied was een "vrije zone", waarin zich het zogenaamde "Vichy-regime" ontwikkelde onder leiding van de bejaarde maréchal Pétain. Dit niet al te democratische regime ging samenwerken met de Duitsers. Pro-Duitse, anti-joodse en anti-communistische maatregelen werden genomen, de interne oppositie uitgeschakeld, de individuele vrijheid beperkt, …

Het verzet geraakte in een eerste fase zeer moeilijk georganiseerd. Vanaf 1940 ontstonden clandestiene kranten en organisaties. Het feit dat Engeland aan de Duitsers kon weerstaan en dat generaal De Gaulle vanuit Londen het verzet verderzette, gaf de Fransen weer hoop.

Lange tijd waren de communisten de enige goed georganiseerde verzetsgroep. Maar tot 22 juni 1941 was hun houding op z'n minst dubbelzinnig te noemen. Op die dag vielen de Hitler-troepen namelijk, ondanks het niet-aanvalspact, toch de USSR binnen. Tot dan toe waren er wel communisten actief in het verzet, maar was de partijleiding er niet bij betrokken. Nu stortten de Franse communisten zich volop in het verzet. Ze vormden een "Front National de lutte pour l'indépendance de la France, die zowel een geheime organisatie als gewapende groepen (de "Francs-Tireurs Partisans Français") bevatte.

Op 21 augustus 1941 schoot Pierre Georges, de latere "colonel Fabien", een Duitse militair neer in de Parijse metro. Het zou het begin zijn van een ganse reeks aanslagen, die de Duitsers zouden aanzetten tot bloedige represailles (onder andere het executeren van gijzelaars). Ondertussen ging het Vichy-regime altijd maar nauwer samenwerken met de Duitsers. Naast Pétain kwam er een tweede sterke man op, Pierre Laval, die veel meer aanleunde bij de Duitsers. Tegen het einde van de oorlog versterkte het verzet zich en probeerden de verschillende organisaties zich te hergroeperen. De communisten hielden echter een grote autonomie.

In juni 1944 had dan de landing in Normandië plaats, waarna Frankrijk langzaam aan bevrijd werd. In Parijs wachtte men echter niet op de troepen. De bevolking en de verzetsgroepen kwamen er op 18 augustus 1944 in opstand, en wipten met de hulp van de een paar dagen later gearriveerde troepen de Duitsers buiten.[21]

 

12.3.2. Het Verhaal

"Pierre Georges, futur Colonel Fabien, est un enfant du peuple, né un jour de janvier 1919, dans un faubourg de Paris." Zo luidt de inleiding van het verhaal, dat begint in de jeugdbeweging. Daar worden de leiderscapaciteiten de populariteit van de latere verzetsheld al goed in de verf gezet. De andere jongens duiden hem aan als leider en willen absoluut in zijn ploeg zitten, want "il n'y en a pas deux comme lui pour organiser les sorties et les jeux."[22]

Maar als sociaal geëngageerde jongere denkt hij niet alleen aan spelen : "Camarades, ce n'est pas tout de jouer ! Nos frères sont en grève. Les vrais pionniers iront collecter pour eux."[23] Zijn initiatief wordt met enthousiasme onthaald.

En zijn sociale overtuiging zit blijkbaar diep : in de leer bij een bakker, geeft Fabien zijn ontslag omdat zijn baas heeft durven zeggen dat alle arbeiders luieriken zijn. Hij gaat dan maar in een fabriek werken en neemt daar actief deel aan het syndicaal leven. Daarnaast gaat hij 's zondags ook nog leuren met "L'avant-garde", "le journal des jeunes travailleurs."[24]

Als de burgeroorlog in Spanje uitbreekt, biedt hij zich aan om aan de kant van de Republikeinen van het Volksfront te gaan vechten, maar wordt er zwaar gewond. Terug in Frankrijk gaat hij werken op de luchtvaartfabriek Bloch.

"Il se marie et après la honteuse trahison de Munich, c'est la guerre …"[25] Fabien wordt echter, door zijn "Spaanse" verwondingen, niet toegelaten in het leger. Maar hij is vastbesloten om te strijden : "Mon rôle est maintenant de lutter contre l'ennemi intérieur." Een vriend waarschuwt hem echter : "Fais attention, Pierre, tu sais qu'ils vont profiter de cette guerre pour prendre la revanche de nos victoires de 1936."[26]

Maar hij zet door en wordt een clandestiene militant van de Communistische Partij. Hij houdt zich onder andere bezig met het drukken en verdelen van de krant "L'Humanité", sinds september 1939 verboden (door de Franse regering). Maar de (Franse) politie valt binnen en Fabien wordt opgepakt. Hij wordt gefolterd om hem te doen klikken, ze beloven hem de vrijheid als hij informatie geeft, "mais le mépris se lit sur son visage malgré les coups qui cingles ses cicatrices à peine refermées."[27]

In mei 1940 wordt hij in het kamp van Baillet opgesloten, maar dat moet ineens ontruimd worden omdat de Duitsers Parijs naderen. De gevangenen worden echter gewaarschuwd : "gare à ceux qui en profiteraient pour fuir, ils seraient abattus comme des chiens !"[28] Maar de machinisten van de trein die de gevangenen wegvoeren, denken daar blijkbaar anders over : "Tu sais que ce sont des prisonniers politiques, des copains quoi !" Fabien en een hoop andere kunnen dan ook ontsnappen : "Grâce à ces cheminots patriotes, Pierre Georges retrouve la liberté pour reprendre le combat ! Mais la police est aux aguets …"[29]

"En 1941, à Toulouse, où Pétain vient prêcher la collaboration."[30] Fabien en zijn mannen werken een plan uit om de menigte te overladen met pamfletten : ze worden in een dakgoot geplaatst om op het juiste moment naar beneden getrokken te worden. "Peu après, le sinistre Pétain et sa bande passent dans un nuage de tracts à la grande fureur des officiels !"[31]

Maar daar blijft het niet bij : "Les nazis tuent et martyrisent des milliers de nos camarades. Nous allons leur prouver que les Français n'acceptent pas la défaite !"[32] Fabien schiet in een Parijs' metrostation een Duitse officier neer en geeft daarmee het beginsignaal voor de gewapende actie. Zelf trekt hij, omdat hij in Parijs gezocht wordt, naar het Oost-Franse departement Doubs om er de F.T.P. te organiseren.

Als hij en zijn mannen daar horen dat er een trein Duitse soldaten op komst is, besluiten ze "het noodzakelijke te doen". Ze blazen de spoorweg op, net als de trein erop voorbijrijdt, maar ze moeten vluchten voor de politie. Fabien wordt gewond, maar wordt opgevangen door een boerenfamilie die het blijkbaar gewoon is verzetslieden in huis te nemen. "Ainsi, recueilli et soigné, Fabien, au milieu d'une brave famille de paysans patriotes, reprend vite des forces, mais il repart trop tôt pour Paris où il est obligé de se faire hospitaliser."[33]

In Parijs wordt hij echter opgepakt, na eerst nog twee agenten neergeschoten te hebben. Hij wordt naar de "sinistre brigade spéciale" gebracht en geeft daar fier zijn daden toe : "Oui, je suis franc-tireur. J'ai vengé les patriotes que vous avez assassinés en j'en suis fier !"[34] Daarna wordt hij uitgeleverd aan de Duitsers en, met zijn voeten aan het plafond hangend, geslagen : "Livré aux Allemands, Fabien subit héroïquement les pires tortures que lui infligent les brutes SS. Mais un F.T.P. ne trahit pas."[35]

En weer ontsnapt hij én weer gaat de strijd voort. "En 1943, l'action des F.T.P. dont il est un des animateurs se décuple. Dans la seule nuit du 11 novembre, 30 déraillements et 156 sabotages sont enregistrés. L'armée clandestine est prête aux combats décisifs !"[36]

Augustus 1944. "Tandis que l'armée rouge poursuit sa formidable offensive, le deuxième front, enfin créé, rejette les débris de la 7ème armée allemande vers la Seine. Depuis 3 jours, le peuple de Paris insurgé tient les principaux points stratégiques de la capitale … Désemparés, isolés, les Allemands refluent vers le sud de Paris, secteur que commande Fabien."[37]

Plots wordt er op straat opgeroepen het vuren te staken omdat er een bestand met de Duitsers afgesproken is. Maar Fabien gelooft niet in goede Duitse bedoelingen : "Cette trève est une trahison ! Elle va permettre aux nazis de se regrouper et d'anéantir Paris. Mais regarde la réponse des Parisiens : les barricades et la lutte jusqu'au bout !"

En als blijkt dat een 300-tal Duitse soldaten nog op het "îlot du Luxembourg" zitten, besluiten de mannen weer het noodzakelijke te doen : "Après un combat acharné, les F.T.P. entrent dans la place. Tandis que flotte le drapeau tricolore, les allemands se rendent. Les autres îlots sont à leur tour nettoyés. Paris s'est libéré lui-même !"[38]

Parijs is bevrijd, maar de troepen van Fabien organiseren zich als een regulier leger en gaan de Duitsers achterna zitten. "Fabien est partout, talonnant vers l'est les Allemands en déroute." De ex-troepen van Pétain zien die concurrentie echter niet helemaal zitten, en de verzetslieden moeten doorzetten om hun deel van de strijd op te eisen. Met succes : "le "Groupe Tactique Lorraine" que crée ensuite Fabien, devient bientôt le plus combatif de l'armée !"[39]

Maar aan alles komt een eind, ook aan verzetshelden. Fabien wordt in december 1944 gedood door de ontploffing van een mijn. "Fabien est mort ! Mais la jeunesse progressiste de France fait sienne la fière devise de légendaire héros : Vaincre et vivre !"[40]

 

12.3.3. Hagiografische propaganda

In dit verhaal staan de solidariteit onder de arbeiders, het patriottisme, het communistisch verzet en de heldendaden van Fabien centraal. Al zeer snel wordt de nadruk gelegd op "het volk" en op solidariteit. Fabien wordt aangeduid als een "enfant du peuple", laat geld inzamelen voor de "broeders" die staken, laat de arbeiders niet beledigen, is syndicaal actief, steunt de communistische pers (L'avant-garde, L'Humanité), en gaat bij het uitbreken van de oorlog onmiddellijk het verzet in.

Hij wordt voorgesteld als plichtsbewust[41] en fier, is enorm strijdvaardig, en zet ondanks het harde leven, de arrestaties, de folteringen en de opgedane verwondingen altijd door. In de inleidende samenvattingen die elke aflevering voorafgaan, worden zijn daden verheerlijkt : "Après un repos nécessité par les graves blessures reçues en Espagne …"[42], "Après avoir glorieusement combattu …"[43], "Après une brillante conduite en Espagne dans les brigades internationales, Fabien, des 1930, se lance dans la lutte contre la 5ème colonne, puis contre l'occupant Hitlérien en abattant le premier nazi au métro Barbès. Fabien donne le signal de la lutte armée."[44] Voor de lezer lijkt Fabien tot zijn dood wel een onoverwinnelijke strijder die alles doorstaat en die alles aankan, op het einde wordt zelfs gezegd "Fabien est partout". Door het niet vermelden van andere verzetsorganisaties lijkt het ook alsof het communistische verzet op haar eentje voor de bevrijding van Frankrijk gezorgd heeft. Een "formidable offensive" van het Rode Leger wordt nog vermeld, maar van de geallieerden is totaal geen sprake.

Het spreekt voor zich dat men in zo'n verhaal elke objectieve weergave van de feiten mag vergeten. De rol van het communistische verzet wordt verheerlijkt, die van de nazi's en het Pétain-regime zo slecht mogelijk voorgesteld. Verzetsstrijders verrichten heldendaden, Duisters moorden … Ook het Frans regime van voor de Duitse inval moet het trouwens ontgelden, en dit mede door een selectieve weergave van de feiten. Dat de akkoorden van Munchen als een "honteuse trahison" voorgesteld worden is conform aan het communistische standpunt van toen. Maar over het door de communisten niet afgekeurde Molotov-Von Ribbentrop-akkoord wordt er met geen woord gerept. Het verbieden van de krant L'Humanité, en het oppakken van communisten, die daar een gevolg van waren, worden dan ook uit hun context gerukt.

De Communistische Partij wordt in het verhaal niet bij naam genoemd. Waarschijnlijk is het voor de lezer duidelijk genoeg waar het over gaat : de figuur van Fabien, de FTP, het drukken van L'Humanité, het veelvuldig gebruik van het woord "camarades". En aangezien het verhaal oorspronkelijk in de Franse communistische pers gepubliceerd werd, was alles voor de lezer wel duidelijk.

Het verhaal past ook zeer goed in de politieke context. In 1950 bevindt de Koude Oorlog zich namelijk op een hoogtepunt en hebben de communisten het in verschillende Europese landen moeilijk. De Fabien-biografie kan dan ook gezien worden als een in herinnering brengen van wat de communisten tijdens de Tweede Wereldoorlog gedaan hebben voor het land. Ook kan er een link gelegd worden tussen het anticommunisme van het einde van de jaren 1930, dat aan bod komt in het verhaal, en het anticommunisme anno 1950.

 

12.4. Besluit

Le Drapeau Rouge is er net na de oorlog zeer vroeg bij om strips te publiceren. Door de gagstroken die in juni en juli 1945 opgenomen worden, is de krant zelfs bij de eerste waarin strips verschijnen. Ook de publicatie van het originele verhaal "Les Trafiquants de Tchoung-King" laat veel goeds voorspellen, spijtig genoeg is het verhaal na enkele afleveringen afgelopen. Daarna zouden alleen nog enkele Reinaert-stroken en gagstroken gepubliceerd worden én het Colonel Fabien-verhaal. Het stripbeleid van La Drapeau Rouge is dan ook zeer pover te noemen. Waarschijnlijk waren een gebrek aan financiële middelen en een gebrek aan interesse voor strips vanwege de leiding van de krant daar de oorzaak van.

Les Trafiquants is speciaal voor de krant gemaakt, de andere verhalen haalt Le Drapeau Rouge gewoon bij de collega's van de Franse communistische pers. Dit toont aan dat, als men maar wilde, er genoeg strips waren die men uit Frankrijk kon importeren om in Le Drapeau Rouge te publiceren. De Franse communisten publiceerden strips in hun dagbladpers en in het populaire jeugdtijdschrift "Vaillant", zodat er zeker geen gebrek was aan strips in overeenstemming met de partij-ideologie[45].

Politieke elementen komen eigenlijk alleen in het Fabien-verhaal voor, maar dan wel in overgrote dosis, zodat het meer "propaganda" wordt dan "verhaal". Deze strip is althans het bewijs dat men strips kon publiceren en tegelijkertijd communistische propaganda voeren. Aankondigingen heb ik in Le Drapeau Rouge niet kunnen terugvinden. En wat de auteurs betreft, deze worden alleen vermeld door middel van hun handtekening.

Tot besluit kan dus gezegd worden dat Le Drapeau Rouge op verschillende momenten wel pogingen gedaan heeft om strips te publiceren, maar dat heeft nooit lang geduurd. Van een echt stripbeleid kan dus geen sprake zijn.

 

 



[1] Campé (René), Dumon (Marthe) & Jespers (Jean-Jacques). Op. Cit., p. 300-306 ; Van Lint (Ivan). De kommunistische partij van België, een politieke analyse: 1947-1958. Licentieverhandeling Politieke Wetenschappen VUB, 1984-1985, p. 104-107 ; Van Hoorick (Bert). In tegenstroom. Herinneringen 1919-1956. Uitgeverij Masereelfonds, 1982, p. 206 (Campe vermeldt cijfers van de uitgevers voor 1949 en 1953 : 110.000 en 50.000)

[2] Van Lint (Ivan). Op. Cit., p. 104-107

[3] Campé (René), Dumon (Marthe) & Jespers (Jean-Jacques). Op. Cit., p. 300

[4] Hij bekleedde die post vanaf 1945. (Delforge (Paul). Jean Terfve. In : Delforge (Paul) e.a. (dir.). Encyclopédie du Mouvement Wallon, Tome III. Mont-sur-Marchienne, Institut Jules Destrée, 2001, p. 1516-1517)

[5] Annuaire officel de la presse …. Op. Cit., p. 571

[6] Gerlo (Aloïs). Noch hoveling noch gunsteling, een levensverhaal. Kapellen, DNB/Pelckmans, 1989, p. 89. Coenen bekleedde voor de oorlog al belangrijke functies in de Communistische Partij en kwam in 1943 op de post van hoofdredacteur van Le Drapeau Rouge. (Delzenne (Yves-William) & Houyoux (Jean). Le nouveau dictionnaire des Belges. Bruxelles, Le Cri, 1998, 802 p.)

[7] Organe Central Quotidien du Parti Communiste de Belgique", "Organe Central du Parti Communiste Belge", "Organe Central Quotidien du Parti Communiste de Belgique"

[8] De nummering van de stroken gebeurt eerst per twee, en pas even nadat de publicatie teruggebracht is tot één strook per week, krijgt elke strook een apart nummer. Daar komt nog bij dat eind februari 1946 een "46" naast de handtekening te vinden is, wat erop wijst dat die stroken niet lang daarvoor getekend zijn. Ook het onbekende pseudoniem en de afwezigheid van een copyright wijzen op een originele creatie.

[9] Depessemier (Daniel). Maurice Tillieux de 1921 à 1952. In : M. Tillieux inédit en album. Bruxelles, Editions de l'élan, 2002, p. 4-13 ; Verheylewegen (Jean-Pierre). Hommage à M. Tillieux. Bruxelles, CBEBD, 2001, 84 p. 71-72 ; Jour (Jean). M. Tillieux, monographie de la bande dessinée. Editions de Perron, 1984, p. 7-8 ; Dossier Tillieux. In : Les Dossiers de la Bande Dessinée, n° 10, mars 2001, p. 5-11

[10] Crépin (Thierry). "Haro sur le gangster !" La moralisation de la presse enfantine 1934-1954. Paris, CNRS Editions, 2001, p. 397-400. Pierre Assouline noemt hem een "communiste marqué et affiché" (Assouline (Pierre). Op. Cit., p. 380)

[11] Toen striptekenaar Jijé na de oorlog gedurende twee maanden in de gevangenis belandde, zorgde Doisy voor zijn vrijlating door de handtekening te verkrijgen van de Minister van Informatie, de communist Fernand Demany. (Martens (Thierry)2. 1945-1947. In : Jijé. Tout Jijé, 1945-1947. Marcinelle, Dupuis, 2000, p. 10)

[12] Philippe Mouvet, die momenteel een monografie over Tillieux voorbereidt, houdt zowel praktische redenen (teveel werk door zijn samenwerking met allerlei publicaties) als ideologische redenen (eigen keuze of druk van een andere werkgever) voor mogelijk.

[13] Zoals we verder nog zullen zien, publiceerden Louis Paul Boon en Maurice Roggeman in De Roode Vaan verhalen met uitgesproken communistische standpunten. Uit de relatie tussen Boon en De Roode Vaan blijkt ook dat de partijleiding een sterke controle uitoefende op de inhoud van de krant.

[14] Wat de keuze van het pseudoniem Saint Thiers betreft, liggen verschillende mogelijkheden open. Zo bestaat er in het Zuid-Oost-Franse stadje Saou een abdij van Saint Thiers. Het is niet denkbeeldig dat Tillieux daar geweest is. In zijn kindertijd heeft hij en tijdje in Aix-en-Provence gewoond en rond zijn zestiende maakte hij met enkele vrienden een fietstocht door Frankrijk, waarbij de Alpen doorkruist werden, en plaatsen in de ruime omgeving van Saou aangedaan werden. (Dossier Tillieux. Op. Cit., p. 5) Andere mogelijkheden zijn inspelingen op de stad Thiers en de Franse politicus van dezelfde naam …

[15] Roger Bussemey, Franse stripauteur, geboren in 1920. Vanaf 1943 werkte hij in een tekenfilmstudio en vanaf 1946 publiceerde hij zijn eerste strips in de Franse pers (l'Aurore, le Parisien Libéré, l'Humanité). Hij werkte ook mee aan een hele reeks andere publicaties, waaronder "OK", "Lisette" en "Pierrot". (Gaumer (Patrick)1. Op. Cit., p. 128)

[16] Roger Masmonteil, Franse stripauteur, geboren in 1924. Mas werkte als bankbediende en brandweerman, en begon na de bevrijding tekeningen te publiceren in het tijdschrift van de brandweer. In 1948 werd hij terug bankbediende, maar hij droomde ervan om professioneel tekenaar te worden. Dat lukte toen hij in contact kwam met de communistische "Editions Vaillant", die hem onder andere "Bec d'Or" van José Cabrero Arnal lieten overnemen. Eén van zijn andere toenmalige personages is Barbichette. (Gaumer (Patrick)1. Op. Cit., p. 524-525 ; Roger Mas. Op : http://www.lambiek.net/mas_r.htm - 27/3/2003)

[17] Vanaf oktober 1947, en tot in 1949, worden verschillende verhalen gepubliceerd. Soms neigt de vormgeving naar een stripverhaal, soms totaal niet. De verhalen zijn niet opgenomen in de inventaris, maar het geval is interessant genoeg om hier te vermelden.

[18] Normaal gezien zouden er acht afleveringen moeten zijn. De tweede, over de Spaanse burgeroorlog, werd echter niet in Le Drapeau Rouge gepubliceerd.

[19] Colonel Fabien. Op : www.salan.asso.fr/fabien.htm (3/4/2003)

[20] Filippini (Henri)3. Dictionnaire encyclopédique des héros et auteurs de BD, Vol. III. Grenoble, Glénat, 2000, p. 790

[21] Ambrosi (Christian) & Ambrosi (Arlette). La France 1870-1986. Paris, Masson, 1986, p. 242-254 ; Bezbakh (Pierre). Histoire de la France contemporaine de 1914 à nos jours. Paris, Bordas, 1990, p. 127-155 ; Histoire du PCF. Op : http://monsite.ifrance.com/edechambost/histoire_du_pcf_3.htm (6/4/2003)

[22] Maurice Damois. Fabien, héros de légende. (LDR, 5/1/1950)

[23] Idem. (LDR, 5/1/1950)

[24] Idem. (LDR, 5/1/1950)

[25] Idem. (LDR, 12/1/1950)

[26] Idem. (LDR, 12/1/1950)

[27] Idem. (LDR, 12/1/1950)

[28] Idem. (LDR, 12/1/1950)

[29] Idem. (LDR, 12/1/1950)

[30] Idem. (LDR, 19/1/1950)

[31] Idem. (LDR, 19/1/1950)

[32] Idem. (LDR, 19/1/1950)

[33] Idem. (LDR, 26/1/1950)

[34] Idem. (LDR, 2/2/1950)

[35] Idem. (LDR, 2/2/1950)

[36] Idem. (LDR, 9/2/1950)

[37] Idem. (LDR, 9/2/1950)

[38] Idem. (LDR, 9/2/1950)

[39] Idem. (LDR, 16/2/1950)

[40] Idem. (LDR, 16/2/1950)

[41] "Mon rôle est", "Mais Pierre sait où est son devoir" (Idem. - LDR, 12/1/1950), geeft niet toe aan folteringen (12/1/1950), geeft een tweede keer niet toe aan folteringen (2/2/1950)

[42] Idem. (LDR, 12/1/1950)

[43] Idem. (LDR, 19/1/1950)

[44] Idem. (LDR, 26/1/1950)

[45] Het ontbreken van strips in Le Drapeau Rouge kan men dus zeker niet toeschrijven aan het feit dat ze geen Amerikaanse strips wilden publiceren. Als dat al zo was, bestonden er genoeg alternatieven, zoals eigen werk of de buitenlandse communistische pers. Amerikaanse stripfiguren duiken trouwens op in de krant in het najaar van 1947. Le Drapeau Rouge neemt dan namelijk, net als de andere Belgische kranten, de advertenties op van het "Nationaal Strijdcomité tegen het Duur Leven", waarbij Disney- en andere stripfiguren gebruikt worden. (Zie het deeltje over deze campagne).