Inhoudstafel

Startpagina

 

 

8. De Nieuwe Gids / 't Vrije Volksblad

 

8.1. Historiek en situering

 

8.2. De Krantenoorlog

8.2.1. Het verlies van Vandersteen

8.2.2. Marc Sleen, Hergé en Donald Duck

 

8.3. De avonturen van Detectief Van Zwam

8.3.1. Nero als krantenstrip

8.3.2. Marc Sleen

8.3.3. De aanwezigheid van Nero in de krant

 

8.4. De Matsuoka-trilogie : het gele gevaar

 

8.5. De Koningskwestie

8.5.1. De Hoed van Geeraard de Duivel … of van Spaak ?

8.5.2. De duivelse socialisten

8.5.3. Indië als metafoor voor België

8.5.4. De volksraadpleging

 

8.6. De erfenis van Nero, Moea-Papoea en co : de Koude Oorlog

8.6.1. De erfenis van Nero

8.6.2. Russen en Amerikanen

8.6.3. Moea-Papoea : spionage en atoombommen

8.6.4. Russen, propaganda en IJzeren Gordijnen

8.6.5. Atoomplannen en atoombommen

8.6.6. BelgIë en het gezond verstand

8.6.7. De Koude Oorlog in andere verhalen

 

8.7. Politieke elementen

8.7.1. De zorgen van alledag : de belastingen, de tram, de dokters

8.7.2. Politici en verkiezingen

8.7.3. Politie, gevangenissen en corruptie

8.7.4. Collaboratie, repressie, oorlog en vaderland

8.7.5. De Benelux

8.7.6. Blanken, inlanders en de beschaving

8.7.7. Taaltoestanden

8.7.8. De mens

 

8.8. Sleen en politiek

 

8.9. De Scepter van Ottokar

8.9.1. Hergé

8.9.2. De Scepter

8.9.3. Een verhaal dat actueel blijft

 

8.10. Besluit

 

 

 

8. De Nieuwe Gids / 't Vrije Volksblad

 

8.1. Historiek en situering

Het verlies van de strijd tegen De Standaard betekent een zeer zware slag voor de NV De Gids. Maar ze gaan door, zij het onder nieuwe titels. De Nieuwe Standaard wordt De Nieuwe Gids (vanaf 12 april 1947) en Het Nieuwsblad wordt 't Vrije Volksblad (vanaf 1 april 1947). De lezer wordt nog in de oude kranten via advertenties van die titelveranderingen op de hoogte gebracht.

Door de concurrentie van De Standaard daalt de oplage op een rampzalige manier. Toenmalig hoofdredacteur Jan De Spot zegt hierover : "Op twee of drie weken tijd kregen wij fatale klappen. In onze beste periode bedroeg de oplage van De Nieuwe Standaard bijna 60.000, die van Het Nieuwsblad 140.000 exemplaren. Te samen dus ongeveer 200.000. Daar verloren wij nu op weinige dagen de helft van."[1]

De Nieuwe Gids probeert te concurreren, evolueert onder invloed van De Standaard meer in Vlaamse richting, hecht meer belang aan sport, laat Marc Sleen een strip tekenen, … Maar toch moet er een reorganisatie doorgevoerd worden en volgen er afdankingen.[2]

De genadeslag zou volgen wanneer de volkseditie 't Vrije Volksblad (met een oplage van 80.000 exemplaren) in de lente van 1948 volledig kosteloos overgelaten wordt aan de overburen[3] van Het Nieuws van den Dag. Enig voordeel voor De Nieuwe Gids is dat Het Nieuws van den Dag hen sport- en gemengd nieuws zou leveren. Voor deze laatste krant betekent de operatie waarschijnlijk de redding, voor De Nieuwe Gids een nieuwe ramp. In 1950 wordt de krant, die dan nog een oplage heeft van 13 à 14.000 exemplaren, overgenomen door Het Volk.[4]

De Nieuwe Gids verschijnt zeven keer per week, met strips van maandag tot zaterdag. De krant telt tussen de 6 en de 8 pagina's en heeft een formaat van 41 op 59 cm. Op 16 mei 1950 wordt de prijs op 1,50 frank gebracht.

 

8.2. De Krantenoorlog

8.2.1. Het verlies van Vandersteen

De NV De Gids heeft wel de strijd tegen De Standaard verloren, maar ze heeft één sterke troef in handen : de strips blijven (voorlopig) op post. Het Suske en Wiske-verhaal De Zwarte Madam loopt gewoon door en ook De Familie Snoek blijft elke week op post. In de advertentiecampagne[5] die 't Vrije Volksblad tegen Het Nieuwsblad opzet, worden Suske en Wiske dan ook vermeld.

Maar die situatie zou niet blijven duren. Vandersteen biedt zijn verhalen ook aan bij De Standaard, en daar gaan deze mensen natuurlijk op in.[6] Met als resultaat dat het volgende Suske en Wiske-verhaal in vier kranten[7] tegelijk verschijnt. De Nieuwe Gids blijft toch de aanwezigheid van Suske en Wiske promoten. Voor de start van "De Koning Drinkt" verschijnen niet minder dan zes aankondigingen.

Het zou echter het laatste verhaal van Vandersteen in de Gids-kranten zijn. Ondanks de moeite die men bij De Gids doet om hem te behouden, stapt Vandersteen even later definitief over naar De Standaard, die nu de exclusieve publicatie van Suske en Wiske in handen krijgt. Zoals we verder zullen zien, laten ze dat bij De Standaard niet onopgemerkt voorbijgaan.

Vandersteen over deze hele kwestie in enkele interviews : "Om beurten kwamen Bekaert en De Smaele[8] met voorstellen aandraven. Ik wreef me de ogen uit, bij het horen van hun aanbiedingen"[9], "Ik kende niet veel van de pers, maar ik leerde in één klap hoe belangrijk beeldverhalen geworden waren. Het was ongehoord, wat zich toen afspeelde. De verkopers van de twee groepen vlogen elkaar soms in de haren om hun krant aan de man te kunnen brengen."[10] "In die tijd was er een enorme strijd tussen De Nieuwe Gids en De Standaard. Allebei de kranten wilden Suske en Wiske hebben. Op een schone moment had ik ze zover gekregen dat ze alletwee, vier maanden lang, een volledig verhaal samen publiceerden. Het leverde mij dubbele inkomsten op. … Ik heb gezegd : alle twee of ik stop ermee. Ze konden niet anders en ze deden het, maar na een tijd, daar werd om gevochten, tussen de krantenverkopers. Het publiek ging denken allee, die twee kranten liggen steeds met elkaar overhoop, en dan toch hetzelfde verhaal brengen, dat ging toch niet meer, dat voelde ge wel. Ik had mijn spel gespeeld en heb me toen laten voorlichten wie de meeste kansen had om te overleven. Dat bleek toen De Standaard te zijn. Daar wist ik niets van, ik kwam uit de bouwvak, op een stellingske staan en stenen kappen, dat was het."[11] Marc Sleen vertelt hierover : Toen kwam de breuk in de krant en een beetje verbaasd stelde ik vast dat Willy Vandersteen in dure restaurants werd geïnviteerd en in de watten gelegd om hem mee te krijgen naar De Nieuwe Standaard."[12]

Eigenlijk moest het allemaal zo aflopen. Suske en Wiske verschenen in de krant via de NV Standaard Boekhandel, die de rechten op de reeks in handen had. En aangezien de NV De Standaard hoofdaandeelhouder was van Standaard Boekhandel, was de overstap van Vandersteen naar De Standaard niet meer dan logisch.[13]

 

8.2.2. Marc Sleen, Hergé en Donald Duck

Bij De Gids blijft men echter niet bij de pakken zitten. Er wordt zelfs op het einde van Suske en Wiske geanticipeerd. Op 3 oktober 1947, een maand voor De Koning Drinkt afloopt, start De Nieuwe Gids namelijk met een nieuwe strip : De Avonturen van Detectief Van Zwam.

Hiervoor staat huiskarikaturist Marc Sleen in, die door hoofdredacteur Jan De Spot werd aangezocht om een verhaal te maken.[14] De start blijft heel sober : slechts één aankondiging wordt gepubliceerd om het eerste Van Zwam-verhaal, Het geheim van Matsuoka, aan de lezers voor te stellen.

Maar blijkbaar volstaat dat nog niet voor Tony Herbert en co. Hoe goed Sleen ook zijn best doet, Van Zwam heeft niet de bekendheid van Suske en Wiske en weegt dus niet genoeg door om met De Standaard te kunnen concurreren. Dus moet er een strip gezocht worden die de concurrentie met Vandersteen aankan …

Op 4 november 1947 wordt er "een nieuw tekenverhaal dat tot nog toe zijn weerga niet heeft"[15] aangekondigd, echter zonder verdere preciseringen. Verder wordt de lezer ook nog aangezet zich niet te laten beetnemen (door De Standaard, nu ze Suske en Wiske hebben) en wordt er de volgende dag op gewezen dat de personages van Marc Sleen "in geen andere nieuwsblad te vinden zijn"[16].

Op 6 november wordt het mysterie dan eindelijk uit de doeken gedaan : "Aan onze lezers. Morgen nemen wij afscheid van onze vrienden Suske en Wiske, waarmee onze lezers reeds zo lang vertrouwd zijn. Over enkele dagen brengen wij U een nieuw tekenverhaal. Waarom ? Omdat wij de hand hebben weten te leggen op het beste dat tot nog toe in België verschenen is. Eenieder kent de juweeltjes van tekenkunst, welke onze landgenoot Hergé over de hele wereld populair hebben gemaakt. Van zijn hand bieden wij U binnen kort een klein meesterstukje, dat voor de eerste maal, in het Nederlands, alleen in onze dagbladen zal verschijnen. Nog twee, drie dagen geduld en geniet dan iedere dag van De Scepter van Ottokar."[17]

In totaal zouden zes aankondigingen het verhaal voorafgaan. Van 10 november 1947 tot 22 maart 1948 publiceert De Nieuwe Gids dan De Scepter van Ottokar. Weliswaar een verhaal uit 1938-1939, maar nooit eerder in het Nederlands verschenen. Na de bespreking van de Van Zwam-verhalen zal hier verder op ingegaan worden.

Kuifje vervangt dus Suske en Wiske, maar wat met De Familie Snoek, die ook naar De Standaard verhuisd is ? Simpel : de Artec-Studio's van Bob De Moor en John Van Looveren worden aangezocht om een andere familie te doen opdraven : De Familie Kibbel. Leonard Snoek wordt zo vervangen door Evarist Kibbel, vrouw Marie door Hortense, dochter Gaby door Tinneke en ga zo maar door. Het betreft hier wel degelijk een nieuwe strip, en dus zeker geen plagiaat, maar het basisgegeven – de familie – blijft hetzelfde.

Wat Kuifje betreft, het zou bij één verhaal blijven. Na afloop wordt het verhaal vervangen door gagstroken van Donald Duck "zodat wij binnen enkele dagen wederom twee tekenverhalen in ons blad zullen publiceren, getrouw aan onze leuze "steeds meer en beter voor onze lezers"[18].

Onder dezelfde leuze krijgen de lezers van 't Vrije Volksblad vanaf 24 april 1948 "een derde tekenverhaal" voorgeschoteld, namelijk het Fred Sander-verhaal "De strijd met Mars"[19]. In De Nieuwe Gids is er van dit verhaal geen spoor te zien.

Steeds meer en beter : het klinkt mooi, maar het zou niet blijven duren. Op 1 juni 1948 verliest De Nieuwe Gids haar populaire editie 't Vrije Volksblad. En tegen het einde van de maand verdwijnen zowel Donald Duck als De Familie Kibbel uit de krant. Er is blijkbaar geen geld of belangstelling meer voor een tweede strip, zodat voortaan alleen nog Van Zwam voor het stripgedeelte van de krant zou instaan.

 

8.3. De avonturen van Detectief Van Zwam

8.3.1. Nero als krantenstrip

De Van Zwam-verhalen, vanaf het negende die van Nero[20], worden, veel meer dan andere krantenstrips, algemeen gezien als een stripreeks waarin de actualiteit verwerkt is, die een politieke inhoud heeft. Zo heeft Lieven Demedts een boek geschreven over Nero en de actualiteit onder de titel "De politieke memoires van Nero". Hij schrijft daarover in zijn inleiding : "50 jaar Nero betekent niet alleen een halve eeuw grappige en spannende stripavonturen. 50 jaar Nero is ook een weerspiegeling van een halve eeuw (inter)nationale maatschappelijke en politieke gebeurtenissen. De strip Nero is een dagbladstrip. Bewust en onbewust slopen dus Sleens meningen en indrukken over de wereld binnen in de verhalen. Soms inspireerden bekende figuren hem tot het maken van stripkarakters. Een andere keer waren het Nero & Co zelf die politieke of sociale insinuaties en commentaren hadden. Soms pasten decor en omgeving zich aan aan de zich veranderende maatschappij. Altijd was er de milde spot, een cartoonist waardig. Deze grappige politieke en sociaal-economische beschouwingen bestemd voor de dagelijkse krantenlezer, gaven -en geven nog steeds- een belangrijke meerwaarde aan de Nero-avonturen."[21]

Ook Yves Kerremans en Pascal Lefèvre leggen in hun "Kroniek van een dagbladverschijnsel" de link tussen de Nero-verhalen en de wereld : "De krant lijkt wel de ideale "biotoop" van Nero. meer dan andere krantenstrips is de Nero-strip immers aan de actualiteit gebonden. Wil men een Nero-verhaal van pakweg dertig jaar geleden goed tot zijn recht laten komen, dan dient men de toenmalige context te kennen."[22]

Jan Smet schrijft in zijn boek dan weer het volgende : " Enerzijds stellen wij vast dat Marc Sleen voortdurend inhaakt op de actualiteit en dat de avonturen van Nero doordoor een levendig sfeerbeeld geven van de tijd waarin zij zich afspelen. Anderzijds hebben wij vastgesteld dat de kritiekjes en opinietjes die Sleen daarbij weergeeft, niet diepgravend zijn."[23]

Veel elementen uit de volgende analyse zijn dan ook reeds vermeld in deze werken[24], maar het spreekt voor zich dat de analyse volledig op de verhalen zelf gebaseerd is. Als bepaalde elementen echt op deze werken gebaseerd zijn, zal er ook naar verwezen worden.

 

8.3.2. Marc Sleen

Marc Sleen werd op 30 december 1922 in Gentbrugge geboren als Marcel Neels. Hij was de laatste in een gezin van vier kinderen. Zijn vader, Alois Neels, baatte een groot café, annex biljart- en vergaderzalen uit. De schoolcarrière van de jonge Sleen speelde zich, na twee jaar op een "nonnenpensionaat", vooral af op de "Broederschool"[25] van Sint-Niklaas. Zijn jeugd was dus zeer katholiek getint, want ook zijn moeder was zeer gelovig. Als Marc veertien was, moedigde één van zijn broers hem aan om zondagslessen te gaan volgen aan de Academie van Sint-Niklaas. Later volgde hij ook lessen aan het Gentse Sint-Lucasinstituut en de Gentse Kunstacademie. De jonge Sleen was ook een tijd actief in de scoutsbeweging. Vader Alois overleed in 1939, waardoor het gezin het moeilijk kreeg, en tot overmaat van ramp brak de oorlog uit. Als de Duitsers tegen het einde van de oorlog zijn broer Roger, die actief was in het gewapend verzet, zochten, maar niet konden vinden, namen ze Marc en zijn broer Nestor mee. Zo kwamen ze in de Gentse gevangenis en het concentratiekamp van Leopoldsburg terecht. In september 1944 werden ze bevrijd. Waarna Marc niet lang daarna bij De Nieuwe Standaard aan de slag ging.[26]

Nog in oktober[27] 1944 begon hij te werken bij De Nieuwe Standaard, als tekenaar en politiek karikaturist. Sleen geraakte bij De Gids binnen via Paul De Ryck, hoofdredacteur van Het Nieuwsblad[28]. Voor allerlei illustratiewerk werd een beroep op hem gedaan : politieke karikaturen, portretten van betrokkenen bij processen, moppen, illustraties voor artikels en verhalen, landkaarten, …[29]

Over die periode vertelt Sleen : "Ik was journalist geworden, ik had een perskaart, ik had tijdens de oorlog ellende meegemaakt, en die tijd behoorde nu definitief tot het verleden. Mijn eerste wedde bedroeg 7.500 frank. Ik voelde me gevleid dagelijks mijn werk in de krant te zien verschijnen, ik kon echt niet klagen over gebrek aan succes."[30]

Maar geleidelijk begon hij voor de publicaties van de NV De Gids ook strips te tekenen. Op 24 december verscheen de eerste aflevering van "De avonturen van Neus" in Ons Volk, en later zouden reeksen als Tom en Tony, Piet Fluwijn en Bolleke en Stropke en Flopte volgen in Ons Volkske. Ook in de opvolger van Ons Volkske, 't Kapoentje zou Sleen actief zijn.[31]

 

8.3.3. De aanwezigheid van Nero in de krant

Zoals al gezegd, verliep de start van het eerste Van Zwam-verhaal redelijk discreet. Eén aankondiging werd gepubliceerd die bestond uit een tekstje van drie regels en een tekening van Van Zwam. Aan de volgende verhalen zou de krant meer aandacht besteden. Vanaf het tweede verhaal worden telkens aankondigingsstroken of één grote aankondigingstekening in de krant geplaatst, vergezeld van een tekst die op de krant geschreven wordt. Maar de verhalen worden ook aangekondigd in de rubriek "Van dag tot dag", waarin op pagina 2 allerlei kleine berichten gepubliceerd worden. Dit is vrij uitzonderlijk, aangezien aankondigingen meestal gepresenteerd worden als advertenties. Hier worden de nieuwe verhalen van Van Zwam aangekondigd tussen andere nieuwsfeiten. Meestal wordt daarin verteld dat Marc Sleen de laatste tijd wat raar doet, en wordt zo de link gelegd naar het volgende verhaal.

Ook verschijnen er soms berichten terwijl een verhaal gewoon loopt. Op 24 maart 1950 wordt in de lezerstribune een "Open brief van Nero"[32] gepubliceerd waarin hij uitlegt hoe hij in het verhaal op een ijsberg heeft kunnen ronddobberen. Een ander bericht verschijnt in "Van dag tot dag" tijdens de publicatie van "De hoed van Geeraard de Duivel". Dit verhaal wordt blijkbaar zeer belangrijk geacht. Het wordt niet minder dan vijf keer aangekondigd.

Er ontwikkelde zich blijkbaar ook een grote identificatie tussen De Nieuwe Gids en de personages van Marc Sleen. In juni 1948, maart 1949, juni 1949 en september 1949 worden tekeningen van Van Zwam, Nero en co (of andere tekeningen van Sleen) gebruikt als illustraties bij de advertentiecampagnes voor abonnementen.

Enkele verhalen zullen nu apart besproken worden, waarna thema's zullen bekeken worden die in verschillende verhalen voorkomen.

 

8.4. De Matsuoka-trilogie : het gele gevaar

De Matsuoka-trilogie bestaat uit drie verhalen waar de slechte Oosterling Matsuoka[33] een hoofdrol speelt. Het zijn tevens ook de drie eerste Van Zwam-verhalen.

In Het Geheim van Matsuoka[34], gepubliceerd van 3 oktober 1947 tot 8 januari 1948 probeert Matsuoka België in zijn macht te krijgen. Hij heeft namelijk "een drank uitgevonden, die persoonsveranderingen teweegbrengt. Om geen argwaan te wekken bij de slachtoffers heeft hij zijn uitvinding de smaak van een lekker biertje gegeven."[35]

De helden van het verhaal, detectief Van Zwam, Jef Pedal en een zekere Schoonbaard, horen bij de eerste slachtoffers van Matsuoka en worden respectievelijk Karel de Kale, Jan met de Hamer en Keizer Nero. Bij Van Zwam is het effect gelukkig maar van korte duur, zodat hij de strijd tegen de Chinese uitvinder in goede banen kan leiden. Schoonbaard zou echter Nero blijven. Onze Chinees van dienst wordt zeer typisch voorgesteld : een gezicht als een masker, een lang gewaad en een hoed, snorretje, spleetogen, …

Om zijn plannen groot aan te pakken, koopt Matsuoka een watertoren op, met de bedoeling daarin zijn bier te brouwen. En zijn plannen zijn inderdaad niet van de minste : "Zij die zullen gedronken hebben, zullen in mijn macht zijn. En het bier zal zo lekker zijn, dat iedereen (behalve een paar weduwen en wezen) er zal van drinken. Gent zal drinken, dan geheeld België. Ik maak er een machtige staat van, we vallen Frankrijk binnen, Nederland en dan … de invasie op Engeland !"[36]

Hitler heeft dus een opvolger… De band met Hitler wordt nog duidelijker door de aanwezigheid van een dubbelganger, slachtoffer van het Matsuokabier, die denkt dat hij de Führer is. Ook de uitspraken van Van Zwam in een "Karel de Kale"-bui wijzen daarop : als hij opgepakt wordt door de politie begint hij gans de stamboom van Karel de Kale op te sommen, en hij besluit met : "Ik was de meester over heel het Germaanse Rijk !! … Jaja, het verleden !"[37]

Om zijn bier te promoten zet Matsuoka een grote propagandacampagne op gang. En ja : "De ramp gebeurt. Gent drinkt … en hoe !"[38] Rijen mensen schuiven bij cafés aan voor Matsuokabier, manifestaties hebben plaats en zelfs het standbeeld van Van Artevelde wordt vervangen door een beeld van Matsuoka. Matsuoka wordt gewoon aanbeden.

Gent is gevallen, nu op naar Brussel. Matsuoka stuurt zijn mannen met bier naar de hoofdstad : "Manschappen, uw opdracht is uiterst gewichtig ! Het is om zo te zeggen ; een staatsgreep. Het hangt van u af, of we de macht in handen krijgen, ja dan neen !"[39]

Maar detectief Van Zwam stuurt alle plannen in het honderd. Hij zorgt ervoor dat de vrachtwagen met bier Brussel niet bereikt en doet de watertoren annex brouwerij ontploffen. Door de schok van de ontploffing wordt heel Gent terug normaal. En dat is aan de reacties van de Gentenaars te zien : de mensen komen op straat, het huis van Matsuoka wordt belegerd en zijn inboedel wordt kort en klein geslagen.

Matsuoka zelf blijkt verdwenen te zijn, maar door het opzetten van een valstrik slagen detectief Van Zwam en de politie er toch in om hem gevangen te nemen. Drie weken later wordt hij door het assisenhof "veroordeelt tot levenslange hechtenis plus een frank schadevergoeding voor de burgerlijke partij."[40]

 

Sleen haakt in dit verhaal duidelijk in op de oorlogsgebeurtenissen : het gevaar komt nog altijd uit het oosten, maar dan van het Verre Oosten[41]. De geflipte Matsuoka (of hij nu een Chinees of een Japanner is, doet er weinig toe), gebruikt zijn uitvinding en de nodige propaganda om de macht in handen te krijgen. Er bestond na de Tweede Wereldoorlog niet alleen een vrees voor de Sovjetunie, ook China, waar een strijd tussen nationalisten en communisten aan de gang was, werd in het oog gehouden. Japan stond na de oorlog enkele jaren onder Amerikaanse controle, zodat er van die kant niets te vrezen was. Tenzij natuurlijk van alleenstaande individuen als Matsuoka.

Matsuoka begint op kleine schaal met Gent, maar droomt ervan Brussel in te nemen en zo een staatsgreep te plegen. Vanuit de machtige staat die België dan onder zijn bewind zou worden wilt hij Frankrijk, Nederland en zelfs Engeland binnenvallen. De opvolging van Hitler lijkt verzekerd, ook wat de persoonscultus betreft : Matsuoka slaagt erin de bevolking voor zijn bier op straat te krijgen en krijgt zelfs een standbeeld.

Na de bevrijdende ontploffing volgt dan de repressie. Als de Gentenaars de inboedel van Matsuoka kort en klein slaan, vraagt één van de omstaanders zich af waar hij dat nog gezien heeft …  Waarschijnlijk enkele jaren voordien. Gelukkig wordt Matsuoka veroordeeld en raakt de rust hersteld.

Sleen geeft in dit verhaal aan hoe één persoon door middel van goed gerichte propaganda (en een "toverdrankje") de mensen achter zich kan krijgen om zijn megalomane plannen uit te voeren. Iedereen laat zich meeslepen, er is geen ontkomen aan … Wat de repressiescène betreft, hierin kan een afwijzing van de volksrepressie gezien worden.

 

Blijkbaar heeft hij niet lang in de gevangenis gezeten, want in Het B-gevaar[42] maakt Matsuoka het land terug onveilig met een nieuwe uitvinding. Het "B-gevaar" is namelijk een draaistoel waarmee men mensen kan laten verjongen en verouderen, en zelfs mensen kan doen verschijnen uit lege kleding. Matsuoka probeert op die manier en legertje samen te stellen, maar door toedoen van Nero en co worden die plannen verijdeld. Weer komen de mogelijkheden van propaganda aan bod. Matsuoka zegt over zijn gekloond legertje : "Ziezo ! Ik heb nu een flink legertje. Zeven en twintig sterke kadee's. Als ik hun nu elk een dikke knuppel en een beetje propaganda geef, zijn ze bereid voor mij te sterven."[43] Ook slaagt de Oosterling erin Nero te laten "collaboreren" door hem een vriendelijkheidsserum toe te dienen.[44]

In "Het Zeespook"[45] maakt onze Chinees de Belgische kust onveilig. Hij boort schepen de grond (of liever de zee) in, zodat heel de vissersvloot bedreigd wordt. Daarbij slaagt hij er ook nog in om met een nieuwe uitvinding overstromingen te veroorzaken. Van zo'n overstroming maakt hij gebruik om Oostende te plunderen. Weer wordt redding gebracht door Van Zwam, Nero en de rest van de bende : na een lange strijd slagen ze erin Matsuoka te verslaan en sturen ze hem met één van zijn uitvindingen, de vliegende handschoen, terug naar China of Japan[46]. Ook de nieuwe ondernemingen van Matsuoka zijn dus tot mislukken gedoemd.

 

8.5. De Koningskwestie

8.5.1. De Hoed van Geeraard de Duivel … of van Spaak ?

De Hoed van Geeraard de Duivel wordt in De Nieuwe Gids gepubliceerd van 3 april 1950 tot 4 september 1950. Het is ook het eerste verhaal dat ook in Het Volk verschijnt en niet meer in 't Vrije Volksblad – Het Nieuws van den Dag. Al van bij de aankondiging in de rubriek "Van dag tot dag" weet de lezer dat hij zich aan een politiek getint verhaal mag verwachten. Hierin wordt verteld dat Marc Sleen de laatste tijd veel met hoeden bezig is, waarvan er één de initialen P.-H. S. draagt. "De versie dat de hoed in kwestie aan dhr. P.-H. Spaak zou toebehoren is natuurlijk te fantastisch om ernstig in overweging genomen te worden". En als even verder in de tekst een collega aan Sleen vraagt of het echt de hoed van P.H. S. is, antwoordt hij "Neen, het is de hoed van de duivel"[47]. De lezer is dus gewaarschuwd …

Het begint allemaal als de hoofdpersonages Nero, Jef Pedal en detectief Van Zwam een bezoek brengen aan de kermis. Nero koopt een hoed van een goochelaar en dat blijkt het begin te zijn van een hoop miserie. Nero heeft de hoed nog maar net gekocht, of zijn nieuwe aanwinst vliegt al weg. Tot in Gent loopt hij erachteraan en als deze het Geeraard-Duivelsteen binnenvliegt, dringt ook Nero er binnen. Blijkt die hoed van Geeraard de Duivel te zijn, die hem al 300 jaar kwijt was.

Nero laat zich niet doen, en slaagt erin met de hoed weg te vluchten. Geeraard dreigt ermee hem de duivel aan te doen als hij de hoed niet teruggeeft. Wat ook gebeurt : Nero's fortuin wordt gestolen, hij verliest al zijn huizen en zijn vrienden Van Zwam, Jan Spier en Jef Pedal verdwijnen. Tenslotte wordt Nero doodziek opgenomen in het ziekenhuis.

Bij een ziekenbezoek aan Nero verliest Geeraard zijn notaboekje. Nero kan zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en vindt in het boekje de persoonlijke telefoonnummers van Jozef Stalin, Edgar Lalmand en Kamiel Huysmans.[48] Maar in het boekje staat ook de gebruiksaanwijzing van de hoed, waardoor Nero erin slaagt om zijn "tweede ik" uit het hoofddeksel te toveren. Aan deze geest mag hij alles vragen wat hij maar wilt.

Nero wilt graag van zijn tweede ik weten wat Geeraard met die hoed eigenlijk van plan is. De uitleg blijkt nogal duidelijk te zijn : "Wel, dat zit zo. Zoals u, uw tweede ik uit deze hoed kunt toveren, zo kan Geeraard de Duivel dat ook, als hij de hoed in zijn bezit heeft. En het tweede ik van Geeraard is Satan, Lucifer, de oppermachtige, de heerser over het kwaad. Zolang gij de hoed in uw bezit houdt kan Satan niets op aarde komen uitrichten."[49]

Nero's tweede ik vertelt ook hoe hij zijn vrienden weer kan laten verschijnen. Hij heeft daarvoor een toverspreuk nodig die op de steen van een Indische tempel gegraveerd is. Nero besluit in actie te schieten en vertrekt samen met Madam Pheip, die hij in het ziekenhuis heeft leren kennen, naar Indië via de haven van Antwerpen. Na enkele moeilijkheden, te wijten aan het feit dat er een staking onder de matrozen aan de gang is, slagen ze er toch in naar het Oosten in te schepen.

Maar ook Geeraard de Duivel trekt naar Indië. Hij laat zijn baard afscheren, hult zich in Indische kleren en laat zich voortaan Kham-el-Amil noemen. De verwijzing is duidelijk, vooral als die Kham-el-Amil aan Nero en Madam Pheip een olifantentaxi aanbiedt en Madam Pheip zegt : "'k Betrouw hem niet. Hij trekt te goed op Kamiel Huysmans."[50]

2

 
Haar voorgevoel was juist, want Geeraard laat haar van de olifant vallen en slaat Nero bewusteloos : hij heeft de hoed nu in handen.  Waarna hij Nero gaat afleveren bij de "Sjamfoeters-sekte"[51], een Indische sekte die koeien en krokodillen aanbidt en blanken haat. Madam Pheip wordt ondertussen opgepikt door een vriendelijke Maharadja en zijn gevolg. Samen proberen ze Nero nog van de krokodillen te redden, maar de Sjamfoeters laten zich natuurlijk niet doen. "Eerst worden de bedienden van de Maharadja onschadelijk gemaakt. Madam Pheip verdedigt zich dapper. Nero vecht als een leeuw. Maar wat kan men tegen de volstrekte meerderheid aanvangen ? …"[52] Uiteindelijk worden de twee toch gered door een tijger.

Maar de Maharadja is zijn personeel kwijt : "De bedienden van de Maharadjah hebben zich bij de geheime sekte der Sjamfoeters aangesloten. Ze vinden het regime democratischer dan bij hun vorige meester."[53]

Door toedoen van een aap krijgt Nero zijn hoed terug en samen met Madam Pheip begeeft hij zich naar de tempel. Daar probeert Geeraard hen uit te schakelen, maar tevergeefs. Nero vindt de spreuk en slaagt erin detectief Van Zwam, Jan Spier en Jef Pedal terug te doen verschijnen waar ze verdwenen waren, in België dus.

Geeraard krijgt er dan ook serieus van langs van Lucifer, zijn grote baas : "Halve gedraaide ! Verbrodder van de stiel ! Ge zijt niet waardig een duivel te zijn. Vooruit ! Terug naar de hel ! Ge zijt gedemobiliseerd ! … Wel, voor uw straf zult ge voortaan als een nietige aardworm ronddolen. Van nu af zijt ge een doodgewone mens met veel slechte gebreken en weinig goeie, vol nijd en afgunst om een andermans wedde, enfin een normaal mens. En laatste raad, sluit u aan bij de communistische partij, daar kunt ge misschien nog carrière maken. Basta. Adieu !"[54]

Na hun herverschijnen trekken Van Zwam en Jan Spier naar Indië. Daar aangekomen, horen ze spreken over een zekere Pandit Nero, die in een paleis zou wonen. Inderdaad, Nero blijkt ondertussen, omringd door onmetelijke rijkdommen, in een paleis te verblijven. Na veel moeilijkheden slagen ze erin door Nero ontvangen te worden.

Maar in het paleis is er een samenzwering tegen Pandit Nero aan de gang. Tijdens een wandeling door de gangen hoort Jan Spier gefluister achter de gordijnen. Geeraard zit te overleggen met een ander verdacht heerschap, met een gezicht dat erg doet denken aan Edgar Lalmand : "Het moet gedaan zijn met die Vlaamse overheersing ! Vannacht om 2 u. sluipen we zijn kamer binnen en … zwzwzw."[55] En inderdaad, die nacht ondernemen de twee samenzweerders een moordpoging op de Pandit, een poging die, gelukkig voor Nero, mislukt.

Er worden ordemaatregelen genomen. Jan Spier wordt tot hoofd van de lijfwacht benoemd en slaagt er perfect in zijn mannen te doen gehoorzamen. Wat aan Nero de volgende opmerking ontlokt : "Knap werk ! Zo moesten ze het in België ook doen !"[56]

Maar de situatie loopt uit de hand. Van Zwam komt Nero waarschuwen : "Nero ! Nero ! 't Loopt scheef ! Ze betogen voor uw paleis !  Ze prediken opstand ! De menigte wordt opgezweept door een onguur type. Hij beveelt hen te staken ! U te verjagen ! Het paleis te plunderen !" Waarop Nero reageert : "'t Is ne socialist zeker ?!"[57] Geeraard de Duivel voert de bende aan, maar de "hevigste lawaaimaker is toch die dikke daar !"[58] Die "dikke" lijkt natuurlijk verdacht veel op Paul-Henri Spaak. En meer nog, de menigte blijkt ook Frans te spreken : "Nero au poteau ! Weg met de Pandit ! Allons enfants de la patrie. A bas la culotte ! Nero naar de maan."[59]

Dat geroep, tot daar aan toe, maar wanneer de menigte met kasseien begint te gooien, is voor Nero de maat vol : "Ze werpen met doorslaande argumenten. 'k Heb er genoeg van. Ik vlucht !" Van Zwam probeert hem te overhalen : "Allee Allee Nero ! Gaat ge aan het schorremorrie, aan het gepeupel van de straat toegeven ?"[60]

De menigte gaat door, breekt de poorten van het paleis open en stormt binnen. Nero ontsnapt nog net aan een moordpoging van "Spaak", maar even later loopt hij toch in de val. De twee aanvoerders hebben Nero in handen. Maar hun doel is nog maar pas bereikt of ze beginnen al onderling ruzie te maken.

-                             Spaak : "We hebben hem ! We zijn baas !! Indië is van ons ! Ik wordt ministerpresident van de republiek India !"

-                             Geeraard : "Ha nee ! Ik !"

-                             Spaak : "Gij ? Gij krijgt richtlijnen uit het buitenland. Nee nee, ik zal ministerpresident zijn !"[61]

Het wordt uiteindelijk een hoogoplopende ruzie, die Nero de kans geeft te vluchten.

Het groot alarm wordt afgekondigd. De "dikke", die door zijn mannen aangesproken wordt met "chef", coördineert de acties vanuit zijn "Hoofdkwartier der straatschuimers". Op zijn tafel staat een bom. De chef ontwikkelt een plan : hij probeert de "Vlamingen" te vergiftigen door biertonnen te verspreiden met vitriool in. Van Zwam en Madam Pheip drinken ervan, maar worden gered door een tegengif uit de hoed van Nero.

Uiteindelijk reizen Nero en co allemaal terug naar Europa. Van Zwam heeft voor Indië nog een afscheidswoord : "Vaarwel Indië. Schoon maar triestig land waar verdeeldheid onder de bevolking heerst !"[62]

 

8.5.2. De duivelse socialisten

Marc Sleen gaat de royalistische toer op, maar volgt eigenlijk gewoon de standpunten van zijn krant en de katholieke wereld : Leopold is de rechtmatige vorst en moet terugkeren. Interessant is het feit dat, hoewel het verhaal vol verwijzingen staat naar de koningskwestie, het probleem niet rechtstreeks aangewezen wordt : over Leopold is er in heel het verhaal geen sprake. Het wordt allemaal veel subtieler aangepakt. De publicatie van het verhaal gebeurt volledig na de volksraadpleging en loopt nog als de machtsoverdracht plaatsheeft.

Zowel socialisten als communisten worden in dit verhaal hard aangepakt. Sleen voert daartoe Geeraard de Duivel op, samen met zijn baas "Satan" of "Lucifer". De associatie met de "roden" begint al wanneer Nero in het notaboekje van Geeraard de telefoonnummers van de socialist Huysmans, de communist Lalmand en Sovjetleider Stalin terugvindt. Zij kennen de duivel dus persoonlijk. Maar het wordt nog erger : verder in het verhaal neemt Geeraard gewoon de gedaante van Kamiel Huysmans aan en wordt hij Kham-el-Amil.

Maar Kham-el-Amil is een knoeier : Nero is hem telkens te slim af en dat wordt hem door zijn chef niet in dank afgenomen. Satan maakt van hem een doodgewone mens vol gebreken, en raadt hem aan zich aan te sluiten bij de communisten. Blijkbaar konden ze bij de communisten nog knoeiers gebruiken …

Ook de vrijmetselarij wordt bij de hele zaak betrokken. Als Madam Pheip op een bepaald moment Geeraard onder handen neemt, maakt ze hem niet alleen uit voor "bokkebaard", en "pachakroet", maar ook als "logeman"[63]. Het feit dat socialistische en liberale politici, zoals bijvoorbeeld een zekere Kamiel Huysmans, wel eens lid durven zijn van een vrijmetselaarsloge[64] zal daar niet vreemd aan zijn.

Het wordt dus allemaal een strijd tussen goed en kwaad. Nero moet als goede katholiek verhinderen dat de "duivelse socialisten" hun plannen ten uitvoer kunnen brengen. Zo krijgt heel het verhaal er een religieus tintje bij.

 

8.5.3. Indië als metafoor voor België

"Schoon maar triestig land waar verdeeldheid onder de bevolking heerst." In het verhaal Indië, in de realiteit België. In het Indische gedeelte van het verhaal probeert Sleen de Belgische gebeurtenissen aan te kaarten aan de hand van Indië. Indië werd in 1947 onafhankelijk. De voormalige Britse kolonie werd dan verdeeld in twee delen, Indië en Pakistan. Mountbatten werd gouverneur-generaal en Jawaharlai Nerhu (Pandit Nerhu) minister-president van Indië. Op 26 januari 1950 werd uiteindelijk de republiek uitgeroepen, met Nerhu als staatshoofd.[65]

Bij hun gevecht tegen de Sjamfoeters-sekte verkeren Nero en Madam Pheip in de minderheid en kunnen ze tegen de "volstrekte meerderheid" van de sekteleden niets aanvangen. De meerderheid wint, zo gaat dat nu eenmaal, en de bedienden van de Maharadja vinden deze gang van zaken zelfs zo democratisch dat ze zich bij de sekte aansluiten. Als deze passage einde juni 1950 gepubliceerd wordt, is de volksraadpleging al een tijdje achter de rug én heeft de CVP een "volstrekte meerderheid" in het parlement verworven. Maar hoewel de meerderheid van de bevolking zich voor de terugkeer van Leopold uitgesproken heeft, zit de situatie nog altijd vast.

In het laatste deeltje blijkt Nero ineens Pandit Nero geworden te zijn. Hij werd "in de mogelijkheid gesteld tot regeren, door toedoen van de Indiërs"[66] : op democratische wijze (door een meerderheid ?) aan de macht geraakt dus. Maar niet iedereen is opgezet met deze gang van zaken. En wat doet men in zo'n geval ? Een samenzwering opzetten …

Geeraard de socialist en Edgar de communist overleggen om een einde te stellen aan de "Vlaamse overheersing".[67] Als die aanpak niet lukt, wordt de bevolking ingeschakeld. Daarvoor heeft Geeraard een nieuwe medewerker gevonden : de "kleine dikke", ofwel Paul Henri Spaak[68]. Betogingen worden opgezet en de leiders roepen op tot opstand, staking en verjaging van de vorst. Elke gelijkenis met bestaande gebeurtenissen en personen berust niet op toeval …

De methodes van de socialisten (en communisten) worden hier duidelijk aangeklaagd. Ze respecteren de wil van de meerderheid van de bevolking niet, willen hun eigen plannen doorvoeren, en ruien daarvoor hun achterban op. Ze blijken zelfs bereid te zijn tot moord. Nero kent zijn wereld en besluit uit de gebeurtenissen dat de leider zeker een socialist is …

Wanneer deze stroken eind augustus 1950 gepubliceerd worden, is het eigenlijk al te laat : Leopold had in de nacht van 31 juli op 1 augustus troonsafstand gedaan ten gunste van kroonprins Boudewijn. Maar Nero mag niet toegeven. Hij wilt vluchten, maar Van Zwam overtuigt hem om niet aan het gepeupel van de straat toe te geven. Ook niet als ze beschikken over "doorslaande argumenten". Deze doorslaande argumenten, die niets anders zijn dan geworpen stenen, zijn een verwijzing naar het feit dat straatherrie in de uiteindelijke beslissing blijkbaar meer doorgewogen heeft dan de (democratische) volksraadpleging, en dat de socialisten met het aftreden van Leopold eigenlijk op een oneerlijke manier hun slag hebben thuisgehaald.

In het verhaal verwijt Sleen Spaak ook een republiek[69] te willen instellen, zodat hij dan zelf "ministerpresident" kan worden. Want daar draait het gewoon om : de leiders van de opstand willen zelf de macht in handen krijgen en gebruiken daartoe alle mogelijke middelen. En dat ze meer bekommerd zijn om hun eigen macht dan om het welzijn van de bevolking blijkt uit het feit dat Spaak en Geeraard, vanaf dat ze de macht in handen hebben, onderling ruzie beginnen te maken. Een gevecht moet zelfs uitmaken wie nu ministerpresident mag worden. "Spaak" vindt alleszins dat hij alleen in aanmerking kan worden omdat Geeraard de Duivel richtlijnen krijgt uit het buitenland. Alleszins deinzen ze er alle twee niet voor terug om samen te werken met communisten om hun doel te kunnen bereiken.

Op veel respect van de auteur moet het Spaak-personage dan ook niet rekenen : hij wordt afgeschilderd als de chef van een bende straatschuimers, die absoluut de macht in handen wilt krijgen.

Ook de tegenstelling tussen Vlamingen en Franstaligen komt in het verhaal aan bod. Een deel van de opstandelingen laat van zich horen in het Frans terwijl Nero, die aan de macht is, overduidelijk een Vlaming is. Weer is de link snel gelegd : Leopold werd vooral gesteund in Vlaanderen, het verzet tegen zijn terugkeer kwam vooral uit Wallonië. "Lalmand" wil een einde stellen aan de Vlaamse overheersing en "Spaak" wilt de Vlamingen vergiftigen. Op deze manier worden ook de Belgische acties van de socialisten voorgesteld als tegen de Vlamingen gericht. Geeraard de Duivel wordt op een bepaald moment door Nero zelfs uitgescholden voor "separatist"[70] : m.a.w. de socialisten brengen door hun houding de eenheid van België in gevaar.

 

8.5.4. De volksraadpleging

Ten tijde van de volksraadpleging werd het vorig verhaal, "De man met het gouden hoofd", gepubliceerd. Ook hierin werd al indirect verwezen naar de koningskwestie. In dit verhaal, waarin Nero, Jan Spier en Van Zwam proberen Amedee, een jongen met een gouden hoofd, uit de handen van misdadigers te houden, belanden de personages in Alaska. Na dagen geen levend wezen gezien te hebben komen ze een colonne pinguïns tegen, met "Ja"-borden op hun buik.[71] En dat de week voor de raadpleging : de stempropaganda, die

al zeer duidelijk aanwezig was in de krant,  heeft dus zelfs de stripstroken ingepalmd. Ze komen uiteindelijk toch terecht in een Eskimodorp, waar ze voorgesteld worden aan het opperhoofd : "Mag ik u voorstellen. Nico Paapa, in 1895 tot ons opperhoofd verkozen met 55 ten honderd der stemmen …"[72] Ook wel duidelijk … Het feit dat er 55 (en niet 57 of 58) staat, komt doordat deze strook al op 13 maart gepubliceerd werd (één dag na de stemming) en de tellingen dus nog niet volledig afgerond waren.[73]

En op het einde, als Nero en Amedee, door een eindeloze vlakte zwerven, komt een zeer dubbelzinnige scène voor. Terwijl Amedee aan Nero blijft zeggen dat het vliegtuig terugkeert, blijft Nero zeggen dat het allemaal propaganda is. Ook nadat het reddende vliegtuig geland is, blijft Nero enkele plaatjes zagen over propaganda.[74] Nero heeft de zaak dus duidelijk begrepen : hoewel de volksraadpleging uitgewezen heeft dat een meerderheid van de bevolking te vinden was voor zijn terugkeer, blijft elk bericht over de terugkeer van koning Leopold voorlopig pure propaganda …

 

8.6. De erfenis van Nero, Moea-Papoea en co : de Koude Oorlog

8.6.1. De erfenis van Nero

In dit verhaal erft Nero 80 miljoen van zijn "excentrieke nonkel uit Amerika", maar om het geld effectief te krijgen, moet hij vijf opdrachten uitvoeren binnen de twee maanden. De opdrachten zijn : één ronde weerstand bieden aan bokskampioen Joe Louis, "een volwassen neushoorn schieten in Midden Kongo", "een pluim trekken uit de hoofdtooi van het enige, nog levende Sioux-opperhoofd", "een gesplitste atoom bemachtigen uit de laboratoria van de U.S.A." en "een stuk uit het ijzeren gordijn (minstens 25 x 25 cm)" meebrengen.[75]

Nero zal de opdrachten vervullen met de hulp van Van Zwam (manager) en Jef Pedal (cameraman). De eerste opdracht wordt vervuld in een typisch New York van wolkenkrabbers, opdringerige journalisten, misdaad en boksmatchen.

Waarna ze per vliegtuig naar het Wilde Westen reizen. Na een noodlanding komen ze terecht op een sterk beveiligde plaats in een bos. Overal zijn prikkeldraad en borden als "Keep out", "Warning", "Stop" en "Danger" te zien. Het zal echter vlug duidelijk worden waar het om gaat, want even later rent er iemand buiten met een pakje in zijn hand. Deze man, een karikatuur van Stalin, struikelt met de hulp van Nero en wordt even later door een paar soldaten opgepakt. Het blijkt om een "spion van een vreemde natie" te gaan die net een atoom gestolen heeft. De drie vrienden worden door Prof. Heilenbein "in naam van de wetenschap en de vredelievende naties" bedankt en mogen als waardering het pakje met het atoom houden.[76]

Opmerkelijk is de wijze waarop het atoom wordt voorgesteld : het ziet eruit als een ongevaarlijke erwt. En aangezien Nero een gesplitste atoom moest bemachtigen, splitst hij de erwt maar met een bijl… Het woud is daardoor wel verkoold, maar niemand raakt gewond … Met Stalin als spion van een vreemde natie is de Sovjetunie duidelijk de vijand, terwijl Van Zwam als Belg en dus bondgenoot zomaar het pakje meekrijgt dat de spion probeerde te stelen. En daarbij worden de VS en België voorgesteld als vredelievende naties.

Na een korte transit in een westerndorp komen ze in een verlaten dorp een oude Amerikaan tegen die de Koude Oorlog maar flauwe kost vindt : "Aha, dat was de goeie ouwe tijd ! We schoten de Indianen met duizenden van hun paarden en zij kittelden ons de schedel met hun tomahawks. Dat was wat anders, dan Kouwe Oorlog …"[77]

De derde proef lukt, met wat geknoei, ook : Nero heeft de pluim kunnen bemachtigen. Tijdens de daaropvolgende tocht door de woestijn ziet Nero plots een "vliegende telloor" in het zand liggen. Van Zwam waarschuwt er nog voor dat het een "Amerikaans geheim wapen"[78] is, maar uiteindelijk vliegen ze er alle drie mee naar Afrika.

De zwarten zijn niet echt opgezet met dat vijandelijk tuig boven hun gebied en vuren dan ook met hun kanon, een "gift van het Marshallplan", zoals op een plakkaatje naast "Opgepast luchtafweer" en "Leve het Atlantisch Pact" te lezen staat.[79] Dit komt zeer grappig over : Afrikanen die in het kader van het Marshallplan en de Navo uitgerust worden met ouderwetse wapens. Het is echter ook een illustratie dat de Verenigde Staten proberen zoveel mogelijk landen in hun invloedsfeer te krijgen.

Door de luchtafweer stort de schotel neer en zetten Nero en co hun reis verder op de rug van een nijlpaard. "Na een zware rit op de rug van het tamme nijlpaard, door de Afrikaanse wildernis, bereiken de drie vrienden eindelijk een blanke nederzetting. Belgisch Kongo, om zo te zeggen terug thuis."[80] In enkele scènes wordt hier gewezen op de Belgische taaltoestanden. Het Franstalig karakter van Belgisch Congo wordt aangekaart door het tekenen van eentalige uithangborden : "Maison du gouverneur", "Hopital", "Champ d'aviation. Pour les flamands la même chose"[81]. Terug thuis dus ? Nero twijfelt er alleszins aan bij het horen en lezen van al dat Frans en vraagt : "Zeg Van Zwam, Belgisch Kongo, is dat een Franse kolonie ?"[82]

Enfin, ze zijn hier niet om te klagen over het taalgebruik, wel om een neushoorn te schieten. Wat ook gebeurt : vierde opdracht volbracht. Maar een tijdje later sukkelt Nero in een valkuil voor wilde dieren. Als de inlanders hem vinden, vinden ze die blanke niet zo interessant, maar het opperhoofd denkt daar anders over : "Een momentje !! De blanken spelen nu al jaren lang met ons voeten, laat ons nu de rollen eens omkeren. Wij, zullen nu eens met hun voeten spelen. Haalt hem uit de put !" "Smeer hem voor modder, kleefstof, pluimen en dergelijke !! Laat die selder maar achter zijn oren zitten, dat doet hem er nog wilder uitzien." "We brengen hem naar de blanke geleerde die in ons dorp is en die vreemde dieren zoekt. We maken hem wijs dat het een nieuw soort mensaap is !!"[83] Sleen laat de bewustwording en de dekolonisatiekoorts dus ook in Kongo plaatshebben, en neemt daarmee een standpunt in tegen de kolonisatie.

Die blanke geleerde waar Nero als aap naartoe gebracht wordt, blijkt een Russische professor te zijn. Nero protesteert, waarop de prof. reageert : "Allemachtig ! Hij spreekt ! 't Is maar een broebeltaaltje maar het benadert toch sterk de menselijke taal !!" Een vertelkader voegt eraan toe : "P.S. De prof. is een Rus. Russen verstaan geen Vlaams."[84] Walen ook niet, zoals Lieven Demedts in zijn boek opmerkt.[85]

Waarop professor Podoroski Nero naar de dierentuin van Moskou stuurt. Van Zwam en Jef Pedal gaan er met een oude Duitse bommenwerper achteraan. Stukje voor stukje valt het toestel tijdens de reis uiteen, en nadat Jef Pedal per ongeluk Moskou gebombardeerd heeft, wordt het vliegtuig natuurlijk neergehaald door Russische jagers. Ze springen met hun parachutes : Van Zwam komt terecht op een toren van het Kremlin, Jef Pedal valt in de Wolga. Moskou wordt voorgesteld aan de hand van de typische Russische torens. Maar Van Zwam slaagt erin vanop de toren een kamer binnen te dringen, waar hij aanzien wordt als een nieuwe generaal. De oude generaal is namelijk net ontslagen om "gezondheidsredenen". Van Zwam speelt het spelletje mee en komt zo twee soldaten tegen die Jef Pedal opgepakt hebben : "We komen zo juist een spion te snappen, mijne generaal. Hij beweert van België te zijn, uit Kongo te komen en in de Wolga gevallen te zijn. Maar als dat waar is ben ik een ezel, mijne generaal. Die westerse spionnen zijn allemaal dikke leugenaars mijne generaal !!"[86]Waarop Van Zwam de gevangene meeneemt voor persoonlijke ondervraging, hem een Russisch uniform bezorgt en ze samen naar buiten stappen. Generaal Van Zwam : "Korporaal, rijd ons naar de dierentuin ! We hebben ontspanning nodig ! Die Kouwe Oorlog werkt op onze zenuwen."[87]

In de dierentuin bevrijden ze Nero, waarna ze een tank stelen op het Rode Plein. Ze rijden door alles door, tot ze uiteindelijk doorheen het IJzeren Gordijn rijden. En er hangt zelfs een stukje aan het kanon : vijfde  opdracht volbracht ! Alles gaat dus perfect, tot Nero een vreugdeschot lost dat terecht komt in een Amerikaans kamp in de buurt. Amerikaanse soldaten snellen toe om de drie in de gevangenis te zwieren, tot Van Zwam zegt : "Maar, wij kozen de vrijheid !!"[88] Opeens worden ze hartelijk verwelkomd, een hoop journalisten snelt toe. Ze kunnen gaan schrijven dat er "weer drie Russen overgelopen" zijn … Tenslotte reizen Nero, Van Zwam en Jef Pedal terug naar Brussel, waar ze de tachtig miljoen kunnen gaan incasseren.

 

8.6.2. Russen en Amerikanen

Over het hele verhaal worden al opmerkingen gemaakt op de Russen. Enkele voorbeelden : als Nero van de IJzeren Gordijn-opdracht hoort, krijgt hij schrik : "Als ik aan de Russen denk … J'ai peur."[89] Een duidelijke allusie op de VN-rede van Spaak. Als Nero opmerkt dat een nijlpaard toch geen snel vervoermiddel is, merkt Van Zwam op : "Langzaam maar zeker Nero, gelijk de Russen !"[90] En op de luchthaven vertelt de pakjesdrager dat er geen vliegtuigen naar Moskou zijn, want "Wie wil er nu naar Rusland !?"[91] Ook in Het Rattenkasteel, waarin Van Zwam op een bepaald moment tegen Nero zegt dat Ratsjenko met hun voeten aan het spelen is. Nero antwoordt : "Ja, 't is een Rus hé ?!"[92]

Rusland en de Russen worden dus niet al te positief voorgesteld. Men wordt er "ontslagen" om gezondheidsredenen (waarschijnlijk bemoeizucht of nieuwsgierigheid), de soldaten zijn ervan overtuigd dat westerse spionnen allemaal leugenaars zijn. En met de denkvrijheid van de bevolking is het niet beter gesteld : bij hun ontsnapping rijden Nero en co met hun tank door een huis. De inwoners protesteren zelfs niet en groet hen met een gezamenlijk : "Heil ons machtig leger ! Heil Lenin heil Stalin !.."[93]

De Amerikanen zien Russen dan weer graag overlopen. Dat is inderdaad minder schadelijk dan als ze als "spion van een vreemde natie" de Amerikaanse atoomgeheimen gaan stelen. De Amerikaanse atoomonderzoeker stelt zijn werkzaamheden alleszins voor als puur wetenschappelijk en in dienst van de vrede.

En wat te denken van deze scène waarin een vriendelijke man in New York aan Van Zwam een bankbiljet dat hij verloren was, terugbezorgt. "Meneer, ik dank u.", zegt Van Zwam, "Ik heb al veel goeds over u, Amerikanen horen vertellen, maar dat u zo eerlijk waart, wist ik niet !" En tot zijn verbazing antwoordt de man : "Ik geen Amerikaan mister, ik Rus zijn !"[94]

Het hele verhaal baadt in een duidelijke Koude Oorlog-sfeer, en dat zet zich door tot in Afrika. De Verenigde Staten leveren wapens aan Afrikaanse stammen om hen aan hun kant te krijgen. Maar niet alle Afrikanen laten zich nog zo gemakkelijk doen, zoals blijkt uit de reactie van het opperhoofd dat Nero gevangen zet omdat de blanken al lang genoeg met hun voeten spelen. In Kongo zou het nog eventjes duren, maar op allerlei andere plaatsen in de wereld is het einde van de kolonisatie effectief aangebroken.

 

8.6.3. Moea-Papoea[95] : spionage en atoombommen

"Een dramatisch spionageverhaal dat zich afspeelt op een onbekend eiland in de Stille Zuidzee"[96], zo wordt Moea-Papoea in de aankondigingsstrook aan de lezers voorgesteld. Het verhaal wordt gepubliceerd vanaf 6 september 1950, en loopt op het einde van dat jaar nog door. "De nieuwe avonturen van Nero en zijn hoed" is nu de reeksnaam.

Op het schip waarmee hij terugkeert uit Indië[97], maakt Nero kennis met een zekere "professor doctor Schweinenburg, Amerikanich atoomgeleerde".[98] Als hij Nero met zijn hoed ziet kaarten, vraagt dit rare heerschap, dat Nederlands spreekt met Duitse uitgangen, een Frans accent en Engelse woorden, aan Nero of hij uit zijn hoed ook een atoombom zou kunnen toveren. Nero doet dat, de bom ontploft, en het schip zinkt …

Waarop Nero en de prof in volle oceaan ronddrijven op de hoed. Atoomgeleerde Schweinenburg blijkt eigenlijk voor de Russen te werken, want de kapitein van de Russische duikboot die hen oppikt, lijkt "kameraad Sweinenburg" goed te kennen. Ze worden naar het vasteland gebracht en in een havenstad aan de Zwarte Zee, waar de professor op bezoek gaat bij een hoge Russische officier, die blijkbaar zijn opdrachtgever is. En dan loopt het allemaal in het honderd : in het gebouw zit een Amerikaanse spion, de atoomplannen van Sweinenburg zijn in de jas van Nero beland en tot overmaat van ramp besluit Nero te vluchten. Na een tocht per straaljager en per schip belandt hij op het eiland Moea-Papoea, zogezegd onbewoond, maar toch bevolkt door een oude blanke man en een ganse stam inboorlingen. In het verder verloop van het verhaal komen zowel Sweinenburg, de Amerikaanse spion Pullmann, als Jan Spier, Madam Pheip en detectief Van Zwam op het eiland aan, en komt het tot een grote zoektocht naar de atoomplannen.

 

8.6.4. Russen, propaganda en IJzeren Gordijnen

In de stad aan de Zwarte Zee laat Nero zich beïnvloeden door een Russisch charmeoffensief. Hij krijgt er nieuwe kleren en een overvloedige maaltijd voorgeschoteld, en hij geniet er duidelijk van : "'t Is hier allemaal nog niet zo slecht zeg ik. Allemaal propaganda wat ze vertellen ! En hunne vodka is er ook niet neven !"[99] Propaganda komt trouwens verder in het verhaal ook aan bod, als blijkt dat het bericht dat Moea-Papoea onbewoond is maar "propaganda"[100] is.

De echte toestand in de Sovjetunie is allesbehalve rooskleurig. Nero en Sweinenburg worden in een auto met neergelaten rolluiken naar een "somber gebouw"[101] gebracht, waar overal portretten van Stalin hangen. Niet meteen een sfeer die veel vrijheid laat vermoeden. En de officier die Sweinenburg ontvangt ziet er allesbehalve vriendelijk uit, hij wilt Nero zelfs naar Siberië sturen.

Bij de vlucht van Nero uit de Sovjetunie, laat Sleen zich volledig gaan. Op het vliegveld neemt Nero "een ferm pak roebels uit zijn hoed" en probeert hij een piloot te "overhalen de vrijheid te kiezen."[102]  En Nero wilt van zijn piloot blijkbaar echt een opvolger maken van de auteur van "Ik verkoos de vrijheid" : "Tegen vanavond zitten we met ons kniebollen onder tafel. Gij schrijft uw memoires en vertelt over de gruwelen die ge meegemaakt hebt …"[103]

Maar zover komt het niet. Snel na het opstijgen "duiken 34 UNO-straaljagers van achter de wolken"[104] op. "Ze hebben weer eens een rode ster gezien"[105], merkt de piloot op. Waarna ze door die overmacht natuurlijk neergeschoten worden.

Er wordt dus een zeer karikaturaal beeld van de Sovjetunie opgehangen, dat dan ook nog grappig aangebracht wordt. Sleen drijft eigenlijk de spot met de clichés, zowel het de Russische regime als met de houding van die VN-vliegtuigen. Ook het IJzeren Gordijn wordt redelijk grappig voorgesteld. Om te proberen Nero buiten de luchthaven te houden, laat een generaal het IJzeren Gordijn neerlaten. Op de tekening ziet men een soldaat die het Gordijn neerlaat alsof het een rolluik was.[106]

 

8.6.5. Atoomplannen en atoombommen

De Russen blijken niet zo goed in staat te zijn zelf atoombommen in elkaar te steken. Op de Russische duikboot wordt Nero bijna overboord gegooid, maar "hij heeft een wondere hoed die ons atoombommen kan leveren"[107], en dus mag hij mee.

Tijdens zijn onderhoud met een Russische officier, blijkt dat Sweinenburg in Amerika gezeten heeft om voor de Russen te spioneren. Twee jaar verblijf in Washington op kosten van Moskou. En hij is erin geslaagd atoomplannen mee te smokkelen. Het feit dat hij een Duitse naam[108] heeft, en met Duitse uitgangen spreekt, verwijst naar de Duitse geleerden die in de Verenigde Staten hun werk gingen verderzetten. Verder in het verhaal wordt trouwens de link gelegd met een aantal echt gebeurde spionageaffaires : hij vertelt dat hij als atoomgeleerde "aktereenvolgens prof. Lamelee, Pontecorvo, Fuchs en Sweinenburg"[109] was. Klaus Fuchs werd in maart 1950 tot veertien jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens spionage voor de Sovjetunie, en ook Pontecorvo werd verdacht van spionage voor de Russen.[110] Sweinenburg blijkt trouwens geobsedeerd te zijn door atoombommen. Als Nero er in het begin van het verhaal eentje uit zijn hoed tovert, gaat hij op zijn knieën zitten en zegt : "Eine Atoombombe ! Kom in mijn hand ho teergeliefd !" Nero van zijn kant laat weten dat hij niet houdt van "dat spul".[111]

Maar ook de Amerikanen blijken spionnen in te zetten om de Russen in het oog te houden. John O. Patt. Pullmann, zo heet deze slungelachtige Amerikaanse spion, heeft ook als opdracht gekregen atoomplannen in handen te krijgen. En als Amerikaan pakt hij de zaak zeer groots aan. Hij heeft er ook de middelen toe, aangezien hij rechtstreeks communiceert met het Witte Huis en bij het slagen van zijn opdracht een miljoen dollar. Geld is dan ook het enige dat hem interesseert.

Pullmann, ook wel Pul genoemd, bereikt Moea-Papoea per minihelikopter en begint meteen de inboorlingen te Amerikaniseren. Om de eilandbewoners het menseneten af te leren, leert hij hen "Pola Pola" drinken, en de Papoeanen blijken die "heerlijke ambetante smaak" wel te appreciëren. Het komt zelfs zo ver dat er reclameborden in het dorp opduiken.

En om de Papoeanen aan zijn kant te krijgen, heeft hij het volgende te bieden : "Yes, als ge me helpt die man vinden die ge zo goed beschrijft, zorg ik er voor dat ge Marshallkredieten en dollarhulp krijgt en dat ge opgenomen wordt in de Atlantische verdedigingsgordel."[112] Natuurlijk allemaal verwijzingen naar de Amerikaanse aanpak in Europa, inclusief de invasie van niet altijd geapprecieerd Amerikaans voedsel.

Hij is ook nogal verwaand : als men hem bezighoort, kan een Amerikaan gewoonweg alles. En als iets hem niet goed lijkt, begint hij over "bij ons in Amerika …". Ook ziet hij de Amerikanen als de redders in alle situaties, "Moesten er geen Amerikanen zijn hé !?"[113] Op een ander moment verklaart hij zelfs : "Waarde vriend. De Amerikaanse inlichtingendiensten weten alles wat er gebeurt op al de eilanden van de wereld."[114] Maar langs de andere kant zegt hij ook wel dat de Amerikanen beginnen te wennen aan aftochten.[115]

Uiteindelijk gaan de twee spionnen samen op zoek naar de atoomplannen, maar allebei zijn ze van plan de tegenpartij uit te schakelen zodra ze de plannen in handen hebben. Als de atoomplannen dan uiteindelijk gevonden worden, raken ze door een gevecht in twee gescheurd. En die nacht hebben Pullmann en Sweinenburg hetzelfde idee : de andere helft stelen en er vandoor gaan. Ze komen elkaar tegen en Pul doet een voorstel : "Luister, we zullen een compromis sluiten. Er zijn zo veel partijen die dat doen. Ik geef u de helft van het miljoen dat ik krijg, in ruil voor het deel dat u hebt."[116] Schweinenburg vindt het een goed idee, waarna ze samen met de helikopter opstijgen. Met geld lost men alles op, zeker ?

In deze laatste opmerking kan men trouwens ook een verwijzing zien naar de Belgische situatie. Partijen die een compromis sluiten, het zou goed kunnen slaan op de oplossing van de Koningskwestie, maar ook andere verwijzingen zijn mogelijk.

 

8.6.6. België en het gezond verstand

De spionnen zijn er echter niet met de echte plannen vandoor. Die had Van Zwam namelijk vervangen door waardeloze papieren. De echte plannen scheurt hij aan stukken en steekt hij in brand : "Voila, daarmee zijn die atoomplannen vernietigd en kan er geen groot kind meer mee spelen !"[117] Sleen typeert de twee grote mogendheden hier als kinderen die voor hun plezier met het lot van de wereld spelen.

Ook Nero ziet het belang van de plannen in, als hij ze voor het eerst in handen krijgt :  "Het enigste wat ik er van snap is, dat dit zeer gewichtige documenten zijn die beter niet in handen vallen van mensen die er misbruik van zouden kunnen maken."[118] Verder in het verhaal vertelt hij tegen de kleine inboorling Petoetje : "Ik heb een pak papieren verloren, die ik absoluut wil terugvinden. Zeer belangrijke papieren die volgens Einstein over het lot van de wereld beslissen."[119]

Maar soms overwint het patriottisme in de geest van Nero. Op een bepaald moment vraagt Van Zwam of hij wel beseft wat hij in zijn bezit heeft, waarop Nero antwoordt : "Toet toet ! 'k Besef het maar al te goed ! 'k Ben niet zo dom als ik er uitzie. In België geef ik die papierkes aan ons regering en vanaf morgen kunnen we met de fabrikatie van atoombommen beginnen. En wij Belgen zullen eens op onze poot gaan spelen en de wereld doen schudden op zijn grondvesten van 't verschieten. Uit onze Kongo halen we uranium en we maken bommen, bommen."[120] Nero wil hier duidelijk van de plannen en de Kongolese uraniumvoorraden gebruik maken om België een eersterangsrol op wereldvlak te laten spelen. Sleen maakt alleszins duidelijk dat het bezit van het atoomwapen een grote machtsbasis betekent.

 

Het hele verhaal is eigenlijk een karikatuur van de Koude Oorlog en de atoomwedloop. Met zowel Russen[121] als Amerikanen wordt er gespot, ze zijn allebei even slecht. Ook met de atoombom zelf wordt er gespot. Zo wordt er in het begin van het verhaal gesproken over het "recept van de A-B en C-Bom".[122] Wat men verder zeker uit het verhaal mag afleiden, is dat Sleen vindt dat best geen van de partijen de atoomplannen in handen krijgen, ze zouden er toch alleen het lot van de wereld mee in gevaar brengen. En dat de internationale situatie iets te gespannen is, blijkt uit volgende uitspraak bij het verschijnen van de Russische duikboot : "Jaja. De zeven wereldzeeën zijn tegenwoordig zo bevolkt met vijandelijke duikboten dat ge niet eens meer rustig kunt verdrinken."[123]

 

8.6.7. De Koude Oorlog in andere verhalen[124]

De vredelievende bedoelingen van de mensen schijnen soms plots te verdwijnen. In "De man met het gouden hoofd" spreekt een hoogwaardigheidsbekleder een dankwoord uit : "En het is met tranen van ontroering in mijn stem dat ik de Amerikaanse vrienden van België bedank voor dit prachtig geschenk – het eerste reactie-vliegtuig – zo mild geschonken, in het kader van de grootscheepse aktie voor de vrede." Maar als Nero en Jan Spier per ongeluk met dit vliegtuig opstijgen, blijkt de vrede plots heel veraf : "Het eerste straalvliegtuig in het teken van de vrede. Ze hebben het gestolen.", "Schiet hen dood !!", "Oorlog !", "Spionnen !"[125] Op deze manier blijft de vrede natuurlijk zeer veraf…

In Het Zeespook wordt een confrontatie tussen de Russische en Amerikaanse corridorpolitie weergegeven. De piloten van een Amerikaans en een Russisch vliegtuig schelden elkaar uit omdat ze in elkaars sector vliegen : "Hela, Kamerodski ! Of zijt ge misschien een vliegende schotel ? Ge zit hier in de Russische corridor. Ik zie me verplicht u neer te schieten !", "Hei You ! What's the matter ! You are in the American sector now !! Scram !"[126] Op deze manier wordt de Koude Oorlog herleid tot een grap.

In Het Zeespook loopt een hond rond die Tito heet. Op het einde van het verhaal wordt hij door Matsuoka naar Joegoslavië gestuurd.[127] En dat net op het moment dat het tot een breuk komt tussen de Joegoslavische leider en de Sovjetunie.

In Het B-gevaar maken twee personages ruzie, waarop Nero opmerkt : "Zo gaat het altijd ! Van zodra de gemeenschappelijke vijand overwonnen is, beginnen ze onder elkaar ruzie te maken !"[128] Een duidelijke verwijzing naar de spanningen tussen de VS en de Sovjetunie na de nederlaag van Duitsland.

Verder komen ook gevechten in Berlijn[129] en het letterlijk (!) afbreken van de Berlijnse luchtbrug[130] aan bod.

 

8.7. Politieke elementen

8.7.1. De zorgen van alledag : de belastingen, de tram, de dokters …

Ook schijnbaar minder belangrijke elementen, die de mensen in het dagelijks leven bezighouden, komen in de verhalen aan bod. Zo wordt er verwezen naar opgebroken wegen[131], de onteigeningen en het enorme lawaai door het aanleggen van de Noord-Zuidverbinding[132], het plaatsgebrek op en het gebrek aan regelmaat van de Brusselse trams[133], de onbekwaamheid en het winstbejag van sommige dokters[134], rantsoenkaarten[135], het opvragen van het bewijs van burgerdeugd[136], …

Dat laatste gebeurt natuurlijk volledig buiten de context, aangezien het opgevraagd wordt door een Indiaan in de Verenigde Staten en een Indische paleiswacht. Daardoor wordt het nut van dit document duidelijk in twijfel getrokken en wordt het eigenlijk belachelijk gemaakt.

De administratie wordt dan weer vertegenwoordigd door een slapende loketbediende en een hoop formulieren die Nero moet invullen om zich in te schrijven aan de universiteit.[137] Maar ook de armoede[138], de levensduurte[139], de lage lonen van journalisten en de hoge van beenhouwers en koolhandelaars[140] en de belastingen komen aan bod.

De personages krijgen enkele keren een belastingsbrief in de bus[141], Nero bekent in de gevangenis dat hij zijn belastingen niet betaald heeft[142] en een baron moet zijn kasteel verkopen omdat de belastingen te hoog liggen.[143] In "De man met het gouden hoofd" neemt Nero goud mee uit Alaska om de belastingen te betalen op het geld dat hij in het vorige verhaal verdiend heeft.[144] Belastingen worden bijna gezien als georganiseerde diefstal door de staat, net zoals de werking van de douane.[145]

Verder zijn er verwijzingen te vinden naar de zwarte markt[146] en smokkelwaar.[147]

 

8.7.2. Politici en verkiezingen

Politici komen er al niet beter van af dan hun belastingen. Hun rol in "De hoed van Geeraard de Duivel" is al besproken geweest, maar ook in andere verhalen kan Sleen het niet laten het gedrag en de wisselende houding van politici aan te klagen of hen belachelijk te maken. Zo draait Nero zich in De juwelen van Gaga-Pan om om een stormloop van gevangenen te ontwijken : "Eventjes keren ! Gelijk sommige politiekers."[148] Een oude professor vertelt tegen zijn studenten : "Beste studenten, ik voel me oud, stram en verstrooid worden. Het is het ogenblik om me terug te trekken. Ik ga me lanceren in de politiek."[149] Aan de kassa op de kermis is het "kinderen en ministers halve prijs"[150] en op het einde van De Erfenis van Nero wilt deze met een scheurlijst opkomen.[151]

In "De Blauwe Toekan" lijkt Nero wel geobsedeerd door de verkiezingen. Als hij op de stroken 94 en 114 terug bij bewustzijn komt na een flauwte en een slag op zijn hoofd, vraagt hij zich af of de verkiezingen al voorbij zijn. Deze stroken werden einde juli en begin augustus 1949 gepubliceerd, dus meer dan een maand na de verkiezingen van 26 juni 1949.

 

8.7.3. Politie, gevangenissen en corruptie

De politie is in de verhalen van Sleen nogal zoals het weer : wisselvallig. Soms werkt het politieapparaat normaal en soms loopt alles mis. Zo worden twee agenten bang als ze horen schieten en durven ze niet meer in te grijpen. Als ze dat dan toch doen, nemen ze de verkeerde op.[152] Een Franse agent ziet Nero niet staan omdat hij druk bezig is met telefoneren. Ook als Nero met zijn pistool begint te schieten, grijpt de agent niet in. Dat doet hij echter wel als Nero een "verboden op het gras te lopen"-regel overtreedt. Hij moet mee naar het commissariaat maar komt er vanaf met een "Ziet dat het niet meer gebeurt hé !"[153]

Corruptie in de gevangenis blijkt heel gemakkelijk te zijn. Een opgesloten Van Zwam geeft in "Het geheim van Matsuoka" een cipier 500 frank om een brief aan Marc Sleen te laten bezorgen.[154] Nog erger gebeurt in "De juwelen van Gaga-Pan" : de directeur van de maatschappij die de gestolen juwelen verzekerd heeft, en die zelf de opdrachtgever van de diefstal is, wilt absoluut Nero laten bekennen en veroordelen, om dan zelf buiten schot te kunnen blijven. Hij biedt de gevangenisdirecteur geld om Nero te doen praten, hem een waarheidsserum toe te passen en hem zo ter dood te veroordelen. En de gevangenisdirecteur gaat daarop in. Ook de andere methodes in de Franse gevangenissen zijn niet al te fraai : harde ondervragingen, gebruik van geweld, en het zomaar ter dood veroordelen. En als Nero ontsnapt krijgen de bewakers opdracht om onmiddellijk te schieten, "Hij is toch ter dood veroordeeld !"[155]

 

8.7.4. Collaboratie, repressie, oorlog en vaderland

Een prentje met uitleg over het kasteel van Rupelmonde in Het B-gevaar kan in het licht van de repressie bekeken worden : "Het kasteel van Rupelmonde werd dikwijls belegerd. Het werd gebouwd door de graven van Vlaanderen en diende gewoonlijk de politieke misdadigers tot gevangenis." Waarop enkele Middeleeuwse voorbeelden gegeven worden. Op de tekening zegt een man wiens hoofd net afgehakt is : "Is er sindsdien al iets veranderd ?"[156]

Waarschijnlijk ook een verwijzing naar de te harde repressie, is de scène in De juwelen van Gaga-Pan, waarin de net ontsnapte Nero de andere gevangenen bekijkt en denkt : "Dat zijn er waarschijnlijk ook allemaal die onschuldig vastzitten ! Sukkelaars !"[157], waarop hij ze allemaal bevrijdt. "Collaborateur" of "collaboratrice" vallen wel eens als scheldwoord voor personages met verraderlijk gedrag.[158] Daaruit kan men afleiden dat Sleen wel de te harde repressie aanklaagt, maar zeker het gedrag van de collaborateurs niet goedpraat.

Doorheen de verhalen zijn ook enkele verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog te vinden. In het B-gevaar vermeldt Nero dat het net "viktoriedag" is[159], en in De erfenis van Nero vertelt Jef Pedal dat hij tijdens de oorlog "Geschader-fuhrer" geweest is bij de R.A.F.[160]

Ook in De erfenis wordt er twee keer ingespeeld op "sneuvelen voor het vaderland". Als Jef Pedal aan het stuur van zijn vliegtuigje in moeilijkheden komt, zegt hij tegen zijn vrienden : "Adieu makkers ! Denkt dat ge in een zelfmoordvliegtuig zit en dat ge u gaat offeren voor het vaderland …" Tegelijk vertelt hij ook : "Beste vrienden, doet uw ogen toe ! Denkt op uw zonden ! Bidt een akte van berouw, vergeef me mijn dommigheden … en ik ga landen !"[161] En verder in het verhaal valt dezelfde Jef Pedal naar beneden omdat zijn parachute vol gaten zit, wat Van Zwam doet opmerken : "Was het nu nog maar voor het vaderland dat hij viel ! Maar nee ! Just omdat de mot erin zat !! Wat een ramp ! Wat een ramp !!"[162] Het "vaderland" wordt hier op een zeer humoristische manier gebruikt, echt patriottisme kan men dat moeilijk noemen.

 

8.7.5. De Benelux

De Benelux komt aan bod doorheen een passage waarin de Nederlandse waterpolitie het schip van Van Zwam, Nero en Jef Pedal doorzoekt. "Nederlandse watergrenskustpolitsie !! Papiere ! Paspoorte ! Geen Kolorado Kevers aan boord ?", roepen twee agenten terwijl ze van schip overstappen. Eén van hen, Kees, doet zeer lastig. Maar Van Zwam kan hem kalmeren : "Kom kom Kees, we benne toch allemaal van de Beeneeluxelande !!" Met als resultaat dat ze mogen doorvaren. Of beter, dat ze mochten doorvaren, want de twee Nederlanders veranderen van mening bij het zien van een coloradokever op de kleding van Nero : "Allemachtig ! Mot je me nou ! Deze boot komt niet in ons vaderland !!"[163] Tot zover het resultaat van de Benelux-akkoorden. De Benelux verhindert trouwens ook niet dat er grappen gemaakt worden over de "Hollanders".

Even verder in het verhaal staat Nero op een Nederlandse markt haring te verkopen. Vanaf het moment dat hij zijn kraampje verlaat, springen drie dolenthousiaste Hollanders op zijn haringvoorraad.[164]

 

8.7.6. Blanken, inlanders en de beschaving

In "De Blauwe Toekan" worden Nero en de zijnen geconfronteerd met de Paraba's, een Zuid-Amerikaanse stam koppensnellers. Ze worden meestal aangeduid als "wilden"[165]. Nero en co vallen in hun handen en worden naar het dorp gebracht. De dorpschef is, net als het opperhoofd uit "De erfenis van Nero", niet van gisteren. Want als de helden van het verhaal vertellen dat ze op zoek zijn naar hun vrienden, antwoordt hij : "Zever in pakskens ! Ge komt om ons te beschaven, hé ? Om hier koffie- en rubberplantages op te richten en met ons zwart geld te verdienen. Weet ge wat we met u gaan doen, hetgeen we met onze vijanden doen."[166], waarna hij de koppensnel-techniek uitlegt. De Paraba's denken dus "beschaafd", maar houden hun oude gebruiken in ere. Ze houden ook van prullaria (col-knopkes, radio, …), zijn dol op whisky, maar spreken normaal.[167] Een andere inboorling, die Nero gered heeft, wordt iets respectueuzer aangeduid als "Indiaan"[168], maar spreekt dan weer een negertaaltje en is erg bijgelovig. Alleszins zeggen ze (daarom doen ze het nog niet) dat ze zich niet meer door blanken laten doen.

Dat het opperhoofd uit "De erfenis van Nero" niet "met hun voeten laat spelen", heb ik al vermeld, maar voor de rest worden deze inwoners van onze kolonie ze niet al te slim en eerlijk voorgesteld. Ze lopen voorovergebogen, zingen altijd hetzelfde liedje, storten zich op de net gedode neushoorn om hem op te vreten en durven wel eens iets stelen. Een zwarte in de stad wordt afgebeeld met een lendendoek en manchetten aan zijn enkels, terwijl hij met een bril op de "Gazette du Congo" ondersteboven leest. Een andere draagt een das op zijn bloot[169] bovenlijf.[170]

De "beschaving" komt ook aan bod in Moea-Papoea, in een scène waarin Madam Pheip onder invloed van verdovende middelen een rede uitspreekt als koningin van de Papoeanen. "Wat zijt ge met een opperhoofd dat alle vijf voet de pijp uit is ? Die, als hij omvalt niet eens meer recht kan ! En wat heeft hij u voor uwe klaas gegeven ? Waar blijven uw macadamwegen ? Waar uw havens en electrische centrales ? Waar is uw Noord-Zuidverbinding ? En uw actiecomitee en uw steungeld en uw taksen ? Kijk naar Engeland, Elisabethje ! Kijk naar Holland, Willemientje en kijk naar mij en ge zult moeten toegeven dat ik de geschikste koningin ben, die ge ooit kondt dromen !!"[171] Beschaving en vooruitgang worden dus gelijkgesteld aan deze zaken. De oude dorpswijze is alleszins onder de indruk en benoemt haar tot koningin. Maar het giftige goedje raakt uitgewerkt, zodat ze zich al snel afvraagt wat ze daar op de troon doet : 'Ikke koningin !? Ik abdiceer !"[172] De abdicatie kan zowel slaan op Wilhelmina, in 1948, als op Leopold enkele maanden terug.

 

8.7.7. Taaltoestanden

Niet alleen in Congo, maar ook in België zijn er taaltoestanden die aangekaart mogen worden. Matsuoka laat een tekenaar affiches ontwerpen om zijn bier aan te prijzen : "Zeer goed ! Zeer goed ! Maar maak ze in 't Frans. We hebben met Gentenaars te doen, zie je."[173]

"Lina ta ? Lina va ? Nyet ? Mja Mja ?", zeggen twee Eskimo's in De Man met het gouden hoofd. Nero begrijpt er niets van en reageert : "Hela ! In Vlaanderen Vlaams he ?!"[174] Een Franse gevangenisbewaker leest alleen de Libre Belgique, "omdat ik een Vlaming ben", zegt hij.[175]

De Leuvense studenten nemen in Het Rattenkasteel echter het voortouw. Ze "stelen" de huifkar van de waarzegster "Madame Blanche" : "Dat zal haar leren haar naam in 't Frans te schrijven."[176] En even verder ontwikkelt zich een gevecht tussen Vlaamse en Franstalige studenten. "Weg met de zokken.", "Cornichons ! Langoustes ! Imbéciles. On les aura !"[177], klinkt het daar.

Tenslotte hangt aan de muur van de "zaal der zwaar gekwetsten" in een ziekenhuis een bordje met "Silence a.u.b."[178]

 

8.7.8. De mens

Sleen maakt in zijn verhalen wel eens niet al te positieve opmerkingen over "de mens" in het algemeen. Er wordt wel eens gewezen op de gebreken van de wezens die we zijn. Zo confronteert Sleen de lezer met egoïsme, jaloezie, ruziënde mensen, …[179] En als er eens iemand met goede bedoelingen rondloopt, wordt er op gewezen dat er zo niet veel zijn.[180] Zo zegt Petoetje in "Moea-Papoea" tegen Nero : "'t Is niets meneer, ge hebt ook mijn leven gered. En een beetje dankbaarheid kan de wereld geen kwaad."[181] In Moea-Papoea wilt een kapitein niet stoppen voor een man overboord : "het komt op een mensenleventje min of meer niet meer opaan, de dag van vandaag."[182]

In Het Rattenkasteel bereikt deze mensenkritiek haar hoogtepunt. De gestoorde Russische professor Ratsjenko wilt in dit verhaal namelijk mensenhersenen transplanteren op ratten. Iets waar hij met één rat ook in slaagt : hij transplanteert de hersenen van een "man gestorven aan hoogmoed". Met als resultaat dat deze rat zijn soortgenoten aanzet tot opstand : "Kameraden ! Vrienden rasgenoten ! We zijn onderdrukt … We durven het daglicht niet aanschouwen … We leven in riolen. Waarom ?!! Waarom het knechtschap nog langer dragen ? Waar halen de mensen hun wijsheid ? Uit de boeken halen ze hun verstand ! Wel, waarop wacht ge ? Vannacht klokslag twaalf halen we al de boeken uit de klassen, brengen ze hier en leren !!"[183] Een rat leest het boek : "Moderne oorlogsstrategie elastische terugtocht en dergelijke". Even later komt het tot een gevecht tussen de ratten en Van Zwam en Nero. De rattenaanvoerder roept : "Laten wij die aardwormen de strot oversnijden ! Weg met hen !"[184] "Ja, ge hebt me goed verstaan ! Bijt ze de strot over ! Geen angst ! Moorden is aan de orde van de dag. Beziet de mensen, ze geven het goede voorbeeld !"[185]

Maar zoals ook bij de mensen wel eens gebeurt, wordt onze rat even later op zijn plaats gezet door zijn vrouw : hij moet mee naar huis. "De kuddegeest is bij de ratten al even sterk ontwikkeld als bij de mensen, zonder leider zijn ze futloos, aan hun lot overgelaten. Ze wenden zich af van hun slachtoffers en keren terug naar hun riolen."[186]

Sleen tekent doorheen deze ratten de mens af als een oorlogszuchtig wezen dat zich zeer gemakkelijk laat meeslepen door leidende figuren. Misschien zit daar wel een verklaring voor de Tweede Wereldoorlog ?

 

8.8. Sleen en politiek

Zoals we uitgebreid hebben kunnen zien, geeft Marc Sleen de politiek een zeer grote plaats in zijn verhalen. Volledige verhalen worden zelfs rond politieke thema's opgebouwd. Zo is De hoed van Geeraard de Duivel één groot pamflet tegen de houding van de socialisten in de koningskwestie. Figuren als Paul Henri Spaak en Camille Huysmans worden zelfs rechtstreeks geviseerd en met de duivel geassocieerd.

In de verhalen over en de verwijzingen naar de Koude Oorlog wordt het thema vrij ludiek behandeld, zodat de lezer in de verhalen de ernst van de situatie niet helemaal terugvindt. Maar op een heleboel elementen, zoals de wapenwedloop, de atoomspionage en de blokvorming wordt er duidelijk ingespeeld. Russen worden niet echt als vijanden afgeschilderd, maar eerder als grappige types. En Amerikanen worden niet verheerlijkt.

Verder besteedt Sleen aandacht aan het Gele Gevaar, aan de mogelijkheden van propaganda, aan de dekolonisatie, de taaltoestanden en aan allerlei alledaagsheden zoals de belastingen, het bewijs van burgerdeugd en de Noord-Zuidverbinding.

"Toen ik van 1944 tot 1951 op de krant politieke cartoons tekende, moest ik de socialisten en andere politieke tegenstrevers altijd extra hard aanpakken, maar ik deed dat niet graag. Dat ligt niet in mijn natuur."[187] Dit interviewfragment van Marc Sleen wijst erop dat er vanuit de krant wel degelijk aangedrongen werd om de politieke tegenstrevers een slechte rol te bezorgen. Het gaat hier wel over de cartoons van Sleen, maar de verklaring geldt even goed voor verhalen als De hoed van Geeraard de Duivel, waarin socialisten op dezelfde manier behandeld worden.

 

8.9. De Scepter van Ottokar

Van 10 november 1947 tot 22 maart 1948 publiceren De Nieuwe Gids en 't Vrije Volksblad, het Kuifje-verhaal "De Scepter van Ottokar". Zoals we al gezien hebben, was het de bedoeling het verlies van Suske en Wiske op te vangen en De Standaard te overtroeven. Maar ook op politiek vlak komt het verhaal goed van pas.

 

8.9.1. Her

Hergé werd op 22 mei 1907 in Etterbeek geboren als Georges Remi. Na zijn lagere school aan een atheneum, volgde hij een jaar neutraal beroepsonderwijs, waarna hij, onder druk van de werkgever van zijn vader, overgeplaatst werd naar een katholieke school om daar zijn middelbare studies te volgen. Tezelfdertijd volgde een overstap van de neutrale naar de katholieke scouts. Deze overstap is niet zonder belang, want zoals Benoît Peeters, één van zijn biografen, het verwoordt : "cette décision inscrira durablement Hergé dans un milieu catholique et traditionaliste"[188]. De conservatieve katholieke wereld dus.[189]

Zijn activiteiten in de scoutsbeweging zorgden ervoor dat hij na verloop van tijd tekeningen begon te publiceren in de scoutspers. Zijn eerste strip, Totor, zou trouwens van 1926 tot 1929 lopen in "Le Boy-Scout". Na zijn studies ging de jonge Georges Remi solliciteren bij de Brusselse katholieke krant Le Vingtième Siècle, waar hij vanaf september 1925 ging werken op de abonnementendienst. Na zijn legerdienst (1926-1927) werd hij door diezelfde krant aangeworven als tekenaar voor illustraties en lay-out. Le Vingtième Siècle werd toen geleid door Norbert Wallez, een priester met nogal rechtse[190] ideeën.[191]

Eind 1928 werd Hergé verantwoordelijk voor de nieuwe jeugdbijlage van de krant : Le Petit Vingtième, waarin hij in januari 1929 "Tintin au pays des Soviets" lanceerde, een jaar later gevolgd door de grappen van het Brusselse duo "Quick & Flupke". Tot de Tweede Wereldoorlog zouden nog zeven volledige verhalen van Tintin volgen.[192] Zoals in deel 1 al gezegd is, bevatten de meeste van die verhalen een duidelijke politieke inhoud.

Het katholiek milieu waarin hij werkte bracht hem tijdens de jaren dertig in contact met allerlei figuren die later zouden bekend worden door hun niet al te zuivere rol tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zo bijvoorbeeld Léon Degrelle, Raymond De Becker en Paul Jamin, om maar deze drie te noemen. Hij baadde dus in een sterke rechtse sfeer en had zelfs een zeker geloof in de Nieuwe Orde. Maar toch hield hij een bepaalde afstand : als Degrelle in 1936 Le Pays Réel oprichtte, weigerde Hergé hem te volgen.[193]

Toen de inval van de Duitsers ervoor zorgde dat Le Vingtième Siècle van de markt verdween, ging Hergé in op het aanbod van (de gestolen) Le Soir (toen onder leiding van Raymond De Becker) in om in deze krant de publicatie van zijn verhalen voort te zetten[194]. De bezetting was op commercieel gebied trouwens een vruchtbare periode voor de tekenaar : naast Le Soir, publiceerden ook de kranten Het Laatste Nieuws (Kuifje[195]) en Het Algemeen Nieuws (Kwik en Flupke) zijn werk, zodat hij ook in Vlaanderen een grote naambekendheid kreeg. Er is veel gediscussieerd over de draagwijdte van die deelname aan de collaborerende pers. Onschuldig was zijn houding zeker niet, en een zekere invloed van zijn entourage staat buiten kijf … Kenmerkend is alleszins dat de verhalen van tijdens de oorlog, op één geval[196] na, politiek volledig neutraal blijven, terwijl de vooroorlogse verhalen sterk geëngageerd waren. Het oorlogsklimaat zette de auteur duidelijk aan tot voorzichtigheid.[197]

Na de bevrijding kreeg de tekenaar natuurlijk last met zijn activiteiten tijdens de oorlog. Hij kreeg een publicatieverbod in de pers en werd vier keer opgepakt. Een onderzoek werd gevoerd naar zijn publicaties in Le Soir, Het Laatste Nieuws en Het Algemeen Nieuws, maar hij werd uiteindelijk niet vervolgd.[198]

Een slechte reputatie had hij door de oorlog wel opgedaan. De man die Hergé terug op de voorgrond bracht, werd Raymond Leblanc. Deze zakenman, die tijdens de oorlog actief was in het verzet, zorgde ervoor dat Hergé zijn bewijs van burgertrouw kreeg, waardoor hij terug kon publiceren. En samen richtten ze het weekblad Tintin/Kuifje op, waarvan het eerste nummer op 26 september 1946 verscheen.[199]

 

8.9.2. De Scepter

In het verhaal[200] maakt Kuifje kennis met de sigillograaf Nestor Spiritus. Hij vertelt aan Kuifje dat hij weldra naar Syldavië reist om daar de zegelcollectie van de Rijksarchieven te gaan bestuderen. Syldavië is een staatje in de Balkan, dat in de elfde eeuw door de naburige Borduren veroverd werd. Maar in de dertiende eeuw werden deze Borduren door een opstand terug buitengezet en werd Ottokar I tot koning uitgeroepen. Sindsdien regeren zijn erfgenamen over het land. Deze maken ieder jaar, op de dag van Sint Wladimir, een tocht door de stad, met in hun hand de historische scepter van hun voorganger. Zonder deze scepter zouden ze het recht om te regeren verliezen.

Spiritus overtuigt Kuifje om als secretaris mee naar Syldavië te reizen. Een geheimzinnige organisatie houdt hem echter in het oog en probeert zijn vertrek te verhinderen. Als dat niet lukt, laten ze hem tijdens de vlucht uit het vliegtuig vallen. Kuifje komt echter in een hoop stro terecht, zodat hij de val overleeft.

Al snel wordt duidelijk wat er aan de hand is. Een organisatie, waartoe belangrijke personen behoren (onder andere een rijkswachtcommandant en de adjudant van de koning), is van plan de Koninklijke scepter te stelen en zo Koning Muskar XII van zijn macht te beroven.

Daarop besluit Kuifje te proberen Muskar van deze plannen op de hoogte te brengen, maar zijn tegenstanders slagen er telkens in dat te verhinderen. Uiteindelijk komt hij door een auto-ongeval toch met de Koning in contact en doet hij zijn verhaal : "Ik ben ervan overtuigd dat prof. Spiritus die zogenaamd naar Syldavië kwam om het koninklijk archief te bestuderen, een bedrieger is. Hij en zijn medeplichtigen hebben tot doel zich van de scepter van Ottokar meester te maken en u aldus te verplichten troonsafstand te doen."[201]

Daarop rijden ze samen naar het kasteel waar de scepter bewaard wordt, maar het is al te laat. De scepter is verdwenen, en dat betekent een grote ramp voor Koning Muskar : "Heren, het voorwerp moet binnen de drie dagen terug zijn ! Indien ik op de dag van Sint Wladimir de schepter niet in de hand draag, kan ik alleen nog van de troon afstand doen."[202]

Maar Kuifje gaat achter de dieven aan. Hij achtervolgt de man die de scepter wegbrengt, en net op de grens met Bordurië slaagt hij erin deze te overmeesteren het waardevolle voorwerp te recupereren. In de zak van de man vindt hij ook een briefje dat ondertekend is met "Müsters" en waarin richtlijnen gegeven worden voor de Bordurische inval in Syldavië. Het stelen van de scepter was blijkbaar maar de eerste stap, daarna zou een legerinvasie volgen.

Ondertussen bespreken Koning Muskar en zijn ministers de toestand : "De toestand is ernstig, Sire ! Het volk is ontevreden. Het zegt dat we de waarheid verbergen en dat de scepter verdwenen is. Daarenboven .. werden gisteren nog Bordurische winkels geplunderd. Wij weten dat deze incidenten het werk zijn van uitdagingsagenten in dienst van het buitenland. Maar dit alles veroorzaakt een gevaarlijke atmosfeer van onrust. Indien, in deze omstandigheden, uwe majesteit zich morgen zonder scepter aan de menigte vertoont, vrees ik".[203] Maar Muskar onderbreekt zijn minister, hij is van plan om af te treden …

En net op dat moment komt Kuifje binnen met de scepter : de koning is gered. En als hij hem de papieren van Müsters toont, regeert Muskar : "Müsters, leider van de partij der Stalen Garde !.. Geen tijd verloren !.. Laat onmiddellijk Müsters en zijn medeplichtigen arresteren !"[204]

Op Sint-Wladimir wordt de optocht van Muskar een echte triomf. En Kuifje wordt onderscheiden, hij wordt "ridder van de gulden pelikaan". Tenslotte krijgt Kuifje van de Minister van Binnenlandse Zaken nog een verslag van het onderzoek : "'t Is U bekend dat Müsters, hoofd van de Stalen Garde, en het merendeel van zijn medeplichtigen, gearresteerd werden. De Stalen Garde was eigenlijk de schuilnaam van de ZZRK, hetgeen betekent, Zyldav Zentral Revolutionär Komitzät, hetgeen de val van de monarchie en de inlijving van ons land bij Bordurië ten doel had." Ook komt dan uit dat de professor Spiritus die naar Syldavië afreisde, eigenlijk de tweelingbroer van de echte professor was en zelf ook tot de bende samenzweerders behoorde.

 

8.9.3. Een verhaal dat actueel blijft

De Scepter van Ottokar werd voor de eerste keer gepubliceerd in Le Petit Vingtième van 4 augustus 1938 tot 10 augustus 1939 onder de titel "Tintin en Syldavie". Het verhaal verscheen in november 1939 voor het eerst in album. Dit gebeurde enkel in het Frans.[205]

In de toenmalige context was het verhaal zeer actueel en politiek geëngageerd. De linken naar de werkelijkheid zijn overduidelijk en veelvuldig naar voor gebracht. Hergé zelf zei van zijn verhaal : "Elle raconte un Anschluss avorté"[206]. In maart 1938 waren de Duisters namelijk Oostenrijk binnengevallen, waarna Hitler het land annexeerde. In september van datzelfde jaar deed zich hetzelfde voor met Tsjechoslowakije.

Verschillende auteurs leggen duidelijke linken met de toenmalige situatie. In Bordurië wordt algemeen Duitsland gezien. Niet alleen door de agressieve en expansionistische ambities van het land, maar ook door de aanwezigheid van Duitse elementen (uniformen, vliegtuigen, SS-kentekens, namen). Naast deze link met het fascisme kan men ook communistische elementen in Bordurië zien (de "Stalin-snorren" van bepaalde personages). Voor de naam Müsstler (de oorspronkelijke naam van Müsters) zijn er verschillende verklaringen mogelijk : een samentrekking van Hitler en Mussolini, of geïnspireerd op de Engelse en Nederlandse Mosley en Mussert. Syldavië kan dan weer gezien worden als Oostenrijk of één van de Balkanlanden.[207] Het verhaal is dus een duidelijke aanklacht tegen het Duitse expansionisme en tegen totalitaire regimes, of ze nu fascistisch of communistisch zijn.

Benoît Peeters ziet in Syldavië zelfs een metafoor van België : "Si la Syldavie est un condensé de plusieurs pays des Balkans, c'est d'abord une métaphore de la Belgique, menacée dans son neutralisme. Le roi Muskar XII, dont Tintin sauve le trône, n'est pas sans ressemblance avec le jeune Léopold III. Plus encore qu'un album antifasciste, Le Sceptre d'Ottokar propose donc une exaltation de la monarchie constitutionelle à la belge. Il est même possible de lire l'histoire comme une prémonition de cette "Question royale" qui allait secouer la Belgique après la guerre."[208]

Michael Farr zet de tekening van het paleis van Klow en een foto van het paleis van Brussel naast elkaar.[209] Hoewel Klow zeker geen replica van Brussel is, is toch de verleiding groot om bij het zien van de tekening aan het paleis van Brussel te denken.

In 1938 was het verhaal misschien een "prémonition" van de koningskwestie, tijdens de publicatie in De Nieuwe Gids zit men er middenin. CVP-BSP-regeringen zorgen er op dat moment voor dat de zaak muurvast zit. De lezer uit 1947-1948 kan dan ook moeilijk anders dan de link leggen tussen het verhaal en de koningskwestie : de koning wordt bedreigd, wordt bijna gedwongen tot troonsafstand, maar wordt uiteindelijk toch gered ! Zo verloopt het verhaal en de voorstanders van Leopold hopen dat het in werkelijkheid niet anders zal lopen. Op die manier krijgt het "mislukte anschluss-verhaal" een tweede betekenis.

En die tweede betekenis past perfect bij de denkbeelden van Hergé. We hebben al gezien dat Hergé uit een rechts katholiek milieu kwam en er niet voor terugschrok om contacten te onderhouden met collaborerende kringen. Maar hij was ook een overtuigde aanhanger van Leopold III en van de koninklijke familie in het algemeen. Zelfs tijdens de oorlog spande hij zich in om aan de prinsen zijn albums in speciale uitvoering te bezorgen.[210]

Al op het einde van de jaren dertig stond hij als één blok achter de koning, en dat zou zo blijven. Benoît Peeters over 1939 : "Dès cette époque, il est probable que la profession de foi d'Hergé est strictement léopoldiste." Zoals hij altijd de houding van zijn collaborerende vrienden zou verdedigen, zo zou hij ook altijd op zijn standpunt blijven in verband met de koningskwestie, de houding van de koning was juist, punt uit.[211]

Of zoals Pierre Assouline schrijft : "Aux yeux d'Hergé, le régent est le régent, et le roi est Léopold III. Malgré son estime pour le Prince Charles, avec lequel il entretient des relations très cordiales, il est de ceux pour qui l'exil du monarque doit prendre fin au plus tôt. Se demander si le roi a eu raison de signer la capitulation et de rester en Belgilque occupée relève déjà du crime de lèse-majesté."[212]

Tijdens een verblijf in Zwitserland (in mei-juni 1948), bracht Hergé zelfs een bezoek aan Leopold in Prégny, ze zouden zelfs samen gaan vissen zijn. Na de troonsafstand zou hij Leopold trouwens nog een paar keer terugzien.[213]

Waarom publiceert De Nieuwe Gids nu net dit Kuifje-verhaal ? Verschillende elementen spelen hierin mee. In februari 1942 beslisten Hergé en zijn uitgever Casterman om de oude verhalen, die meestal over meer dan 100 pagina's in zwart-wit gepubliceerd werden, terug te brengen naar albums van 62 pagina's en te zorgen voor inkleuring. Om hem bij die taak te helpen, trok Hergé assistentie aan. Eerst werd hij geholpen door Alice Devos, en van januari 1944 tot mei 1947 door Edgar P. Jacobs. Tussen 1942 en 1947 werden negen verhalen herwerkt, waaronder De scepter van Ottokar.[214]

Ook nog tijdens de oorlog rijpten plannen om de Tintin-albums in het Nederlands uit te geven. Door de publicatie van vijf verhalen in Het Laatste Nieuws was het moment wel geschikt, maar de papierschaarste kwam er een stokje voor steken.[215] De eerste Nederlandstalige albums zouden moeten wachten tot eind 1946 en zouden onmiddellijk in kleur verschijnen.[216] De kleurenversie van De Scepter van Ottokar verscheen, zowel in het Nederlands, als in het Frans, in 1947.[217] De krantenpublicatie kan dus als publiciteit gezien worden voor de albumversie[218].

Maar ook andere verhalen verschenen in 1947 of waren al in 1946 op de markt gebracht. Het is dan ook mogelijk dat men bij De Nieuwe Gids zijn voorkeur voor dit verhaal uitgesproken heeft, of dat Hergé of zijn uitgever dit verhaal uitgekozen hebben voor de krantenpublicatie vanwege de band met de actualiteit. Gezien zijn pro-Leopoldistische houding kon de tekenaar er moeilijk iets op tegen hebben dat zijn verhaal tijdens de koningskwestie in een katholieke pro-Leopoldistische krant verscheen.

Het verhaal kan echter ook gezien worden in het licht van de Koude Oorlog. De binnenlandse tegenstanders van Muskar willen namelijk het buurland Bordurië Syldavië laten binnenvallen. Leden van deze organisatie lopen rond met Stalin-achtige snorren, en zoals al gezegd wijzen sommige elementen van het Bordurische regime naar de Sovjetunie. De link naar de Sovjetdreiging en de vijfde colonne is dan ook snel gelegd. Vooral omdat in februari 1948, dus tijdens de publicatie van dit verhaal, Tsjechoslowakije in communistische handen valt.

Er valt trouwens ook een politiek getint grapje te bespeuren. Als Kuifje op een bepaald moment tegen de Jansen(s)-detectives zegt dat een man misschien aan amnesie lijdt, weet één van hen niets beter te zeggen dan "Wat heeft amnestie met deze zaak te maken ?.."[219]

We hebben hier dus te maken met een verhaal dat negen jaar oud is, maar toch zeer goed past in de politieke context van de periode waarin het hergepubliceerd wordt. Het krijgt op die manier een tweede betekenis, die de auteur zeker niet zou verloochend hebben. Werd dit verhaal er daarom uitgekozen, of is het allemaal puur toeval ? Wie zal het zeggen …

 

8.10. Besluit

Het verlies van Vandersteen wordt dus zeer goed opgevangen door De Nieuwe Gids. De avonturen van detectief Van Zwam gaan van start, De Familie Snoek wordt vervangen door De Familie Kibbel én zelfs Hergé wordt erbijgesleurd om toch maar De Standaard op stripvlak te kunnen overtreffen. Maar tegen juni 1948 zou alleen Van Zwam overblijven.

Aankondigingen worden tijdens de strijd met De Standaard bij hopen gepubliceerd, later wordt het aantal ingeperkt tot een tweetal per nieuw verhaal. Auteurs worden in de titels vermeld, en Marc Sleen groeit zelfs (ook door zijn werk als karikaturist voor deze krant) uit tot een echt begrip. Elke De Gids-lezer moet gewoon weten wie Marc Sleen is.

De Nieuwe Gids geeft duidelijk voorrang aan eigen materiaal. De Vandersteen-verhalen worden niet vervangen door agentschapstrips. Marc Sleen mag een nieuwe reeks starten en als men dan toch een al bestaand verhaal gaat publiceren, blijft men het in België zoeken, met Hergé. De enige agentschapstrip, Donald Duck, heeft het niet lang uitgehouden.

Op politiek vlak zijn de strips van De Gids een echte goudmijn. De Scepter van Ottokar past zeer goed in de politieke context van het ogenblik. Maar vooral de Van Zwam-verhalen barsten van de politieke verhaallijnen, toespelingen en grappen. Hiermee gaat Sleen dezelfde toer op als zijn voorganger Vandersteen. Sleen schenkt vooral aandacht aan de koningskwestie, de Koude Oorlog, het Gele Gevaar en allerlei alledaagse problemen.

 

 



[1] Durnez (Gaston)1. Op. Cit., p. 532

[2] Durnez (Gaston)1. Op. Cit., p. 558

[3] De twee kranten waren gevestigd in de Brusselse Zandstraat.

[4] Durnez (Gaston)1. Op. Cit., p. 558-559

[5] TVV, Advertenties op 3/4/1947, p. 1 en 7/4/1947, p. 1. Zie hiernaast voor de weergave van deze laatste.

[6] Van Hooydonck (Peter)1. Op. Cit., 71

[7] De Nieuwe Gids, 't Vrije Volksblad, De Standaard en Het Nieuwsblad

[8] Leidende figuren van respectievelijk De Gids en De Standaard.

[9] Durnez (Erik). Ik vier het elke dag … Willy Vandersteen 65. Antwerpen / Amsterdam, Standaard Uitgeverij, 1978, p. 13

[10] Durnez (Erik). Op. Cit., p. 13

[11] Van Helden (Wim), Van den Boom (Hans) & Smet (Jan). Willy Vandersteen : "Ge kunt zeggen dat het slecht is, geen mens zal u geloven". In : Stripschrift, nr. 122/123, 1979, p. 5

[12] Auwera (Fernand) & Smet (Jan). Marc Sleen. Antwerpen, Standaard, 1985, p. 57-59 (De Nieuwe Standaard moet dus De Nieuwe Gids zijn)

[13] Durnez (Gaston)1. Op. Cit., p. 552

[14] Auwera (Fernand) & Smet (Jan). Op. Cit., p. 59

[15] DNG, aankondiging op 4/11/1947, p. 2. Zie afbeelding hiernaast.

[16] DNG, aankondiging op 5/11/1947, p. 2. Zie afbeelding hiernaast. De concurrentie publiceerde al op 2 november 1947 zo'n advertentie waarin gezegd wordt dat de verhalen van Vandersteen "alléén in Het Nieuwsblad" verschijnen. Zie het deel over De Standaard/Het Nieuwsblad.

[17] DNG, aankondiging op 6/11/1947, p. 6

[18] DNG, aankondiging op 23/3/1948, p. 2

[19] Zie Le Matin.

[20] Verder in de tekst zullen de twee namen, Van Zwam én Nero, gebruikt worden om de reeks aan te duiden.

[21] Demedts (Lieven). De politieke memoires van Nero. Antwerpen, Standaard, 1997, p. 5

[22] Smet (Jozef). Marc Sleen 70 : bio- en bibliografie. Sint-Niklaas, SOB, 1993, p. 5

[23] Auwera (Fernand) & Smet (Jan). Op. Cit., p. 321

[24] Demedts (Lieven). Op. Cit., p. 7-26 ; Kerremans (Yves) & Lefèvre (Pascal)1. 50 jaar Nero : Kroniek van een dagbladverschijnsel. Antwerpen, Standaard, 1997, p. 10-17 ; Infopagina's van Kerremans en Lefèvre in : Sleen (Marc). De Klassieke avonturen van Nero. Antwerpen, Standaard, 1998-1999 (10 delen, zie bibliografie)

[25] "Instituut Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen".

[26] Auwera (Fernand) & Smet (Jan). Op. Cit., p. 15-46 ; De Laet (Danny) & Varende (Yves). Op. Cit., p. 118-119 ; Smet (Jozef). Op. Cit., p. 3 ; Kerremans (Yves) & Lefèvre (Pascal)1. Op. Cit., p. 6-7

[27] In de literatuur wordt september vermeldt. Uit een brief van Betsy Hollants aan de tekenaar, gepubliceerd in het huldeboek "Marc Sleen 80 jaar" blijkt echter dat hij pas op 5 oktober op de krant uitgenodigd werd voor een gesprek. (Brief van Betsy Hollants. In : Marc Sleen 80 jaar, de enige echte. Antwerpen, Standaard Uitgeverij, 2002, p. 8)

[28] De Ryck beveelde Sleen blijkbaar aan bij De Nieuwe Gids-hoofdredactrice Betsy Hollants, die de tekenaar vroeg of hij "geneigd zou(dt) zijn caricatureele teekeningen te bezorgen voor verluchting van ons blad." (Brief van Betsy Hollants. Op. Cit., p. 8)

[29] Smet (Jozef). Op. Cit., p. 3 ; Kerremans (Yves) & Lefèvre (Pascal)1. Op. Cit., p. 7 ; Auwera (Fernand) & Smet (Jan). Op. Cit., p. 54-57

[30] Auwera (Fernand) & Smet (Jan). Op. Cit., p. 92

[31] De Laet (Danny) & Varende (Yves). Op. Cit., p. 118-119 ; De Laet (Danny)1. Op. Cit., p. 19-21 ; Auwera (Fernand) & Smet (Jan). Op. Cit., p. 212-…

[32] Lezerstribune, Open brief van Nero. In : DNG, 24/3/1950, p. 2

[33] Genoemd naar Yosuke Matsuoka, Japans minister van Buitenlandse Zaken in 1940-1941. (Demedts (Lieven). Op. Cit., p. 7)

[34] Marc Sleen. Het geheim van Matsuoka. (DNG, 3/10/1947 – 8/1/1948)

[35] Idem, str. 14 (DNG, 10/10/1947)

[36] Idem, str. 93 (DNG, 27/11/1947)

[37] Idem, str. 87-88 (DNG, 24/11/1947). Hitler duikt ook op in "De man met het gouden hoofd". Als Nero in een Eskimodorp terechtkomt, is hij geïntrigeerd door de aanwezigheid van een nogal speciale iglo. Er is maar een kleine opening aan waar de dorpelingen voedsel doorsteken, en er wordt in het dorp zeer geheimzinnig over gedaan. Nero kan zijn nieuwsgierig niet bedwingen en doet het geval smelten, tot Hitler opeens tevoorschijn komt. (Marc Sleen. De man met het gouden hoofd, str. 95-101 - DNG, 14/3/1950 - 18/3/1950)

[38] Marc Sleen. Het geheim van Matsuoka, str. 97 (DNG, 29/11/1947)

[39] Idem, str. 107 (DNG, 5/12/1947)

[40] Idem, str. 159 (DNG, 8/1/1948)

[41] Sleen is zeker niet de enige stripauteur die het "gele gevaar" in zijn verhalen verwerkt. Een zeer bekend voorbeeld is "Het geheim van de zwaardvis" van E.P. Jacobs (gepubliceerd in het tijdschrift Kuifje in 1946-1949), waarin een Tibetaanse dictator probeert de wereld te veroveren.

[42] Marc Sleen. Het B-gevaar. (DNG, 12/1/1948 – 18/5/1948)

[43] Idem, str. 136 (DNG, 1/4/1948)

[44] Idem, str. 190 (DNG, 4/5/1948)

[45] Marc Sleen. Het Zeespook. (DNG, 20/5/1948 – 6/9/1948)

[46] Matsuoka wordt meestal aangeduid als een Chinees (bijvoorbeeld in Het geheim van Matsuoka, str. 13 – DNG, 10/10/1947), maar soms ook wel eens als een Japanner (Idem, str. 152  - DNG, 1/1/1948). In de passage waar ze Matsuoka terug naar huis sturen, is het de bedoeling hem af te leveren in China, maar hij wordt afgezet in Yokohama, een Japanse stad.

[47] DNG, Het mysterie van de dertien hoeden, 1/4/1950, p. 2

[48] Marc Sleen. De hoed van Geeraard de Duivel, str. 43 (DNG, 26/4/1950)

[49] Idem, str. 61 (DNG, 6/5/1950)

[50] Idem, str. 116-117 (DNG, 8/6/1950 & 9/6/1950)

[51] Sjanfoeter staat in de Grote Van Dale als "schelm, deugniet". (Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal. Utrecht/Antwerpen, Van Dale, 1995, p. 2327)

[52] Idem, str. 136 (DNG, 20/6/1950)

[53] Idem, str. 139 (DNG, 22/6/1950)

[54] Idem, str. 175-176 (DNG, 13/7/1950)

[55] Idem, str. 214 (DNG, 4/8/1950)

[56] Idem, str. 232 (DNG, 15/8/1950)

[57] Idem, str. 232 (DNG, 15/8/1950)

[58] Idem, str. 233 (DNG, 17/8/1950)

[59] Idem, str. 233-234 (DNG, 17/8/1950). Op 19 juli 1950, tijdens de stemming die het regentschap zou afschaffen, verlieten socialisten en liberalen de Kamer. Sommigen gingen daarbij over tot het zingen van de Marseilleise. (Theunissen (Paul). 1950 : de ontknoping van de koningskwestie. Antwerpen, De Nederlandsche Boekhandel, 1984, p. 84)

[60] Idem, str. 235 (DNG, 18/8/1950)

[61] Idem, str. 242 (DNG, 22/8/1950)

[62] Idem, str. 263 (DNG, 4/9/1950)

[63] Idem, str. 70 (DNG, 11/5/1950)

[64] Van den Abeele (Andries). De kinderen van Hiram : vrijmetselaars en vrijmetselarij. Op :  http://home.planetinternet.be/~pin34989/AndriesVandenAbeele/AVDA282.htm - 10/4/2003)

[65] Indië. Op : Winkler Prins Encarta Encyclopedie 2001

[66] Idem, str. 205 (DNG, 31/7/1950)

[67] Dit gebeurt op 4 augustus, dus enkele dagen na de machtsoverdracht. De tijdspanne is te nipt om te achterhalen of Sleen zijn scenario aangepast heeft of niet. In het verdere verloop (het aftreden van Nero) is duidelijk wel op de machtsoverdracht voortgeborduurd.

[68] "onguur type" (Idem, str. 232 - DNG, 15/8/1950), "die dikke daar" (Idem, str. 233 - DNG, 17/8/1950), "de dikke muiter" (Idem, str. 241 - DNG, 22/8/1950)

[69] Ook de uitroep "Allons enfants de la patrie" kan daarop wijzen. (Idem, str. 233 - DNG, id., 17/8/1950)

[70] Idem, str. 35 (DNG, 21/4/1950)

[71] Marc Sleen. De man met het gouden hoofd, str. 86 (DNG, 8/3/1950)

[72] Idem, str. 93 (DNG,  13/3/1950)

[73] Kerremans (Yves) & Lefèvre (Pascal)2. Infopagina's. In : Sleen (Marc). De Klassieke Avonturen van Nero 8, De man met het gouden hoofd. Antwerpen, Standaard, 1998, p. 36

[74] Idem, str. 118-122 (DNG, 27/3/1950 – 29/3/1950)

[75] Marc Sleen. De erfenis  van Nero, str. 12 (DNG, 3/1/1949)

[76] Idem, str. 82-86 (DNG, 12/2/1949 - 15/2/1949)

[77] Idem, str. 112 (DNG, 2/3/1949)

[78] Idem, str. 159 (DNG, 30/3/1949)

[79] Idem, str. 165-166 (DNG, 2/4/1949)

[80] Idem, str. 175  (DNG, 8/4/1949)

[81] Idem, str. 175 & 203  (DNG, 8/4/1949 & 25/4/1949)

[82] Idem, str. 175  (DNG, 8/4/1949)

[83] Idem, str. 195-196  (DNG, 21/4/1949)

[84] Idem, str. 199  (DNG, 22/4/1949)

[85] Demedts (Lieven). Op. Cit., p. 16

[86] Idem, str. 222  (DNG, 5/5/1949)

[87] Idem, str. 225 (DNG, 7/5/1949)

[88] Idem, str. 258 (DNG, 27/5/1949) Sleen verwijst hiermee naar het boek "Ik verkoos de vrijheid. Het persoonlijke en politieke leven van een Sovjet functionaris." van Victor Kravchenko, in het Nederlands verschenen in 1947. In een advertentie in La Libre Belgique (23/8/1947, p. 6) wordt het boek aangeprezen als "le plus sensationnel, le plus documenté, le plus vivant qui ait été écrit depuis et sur la révolution russe." en wordt de lectuur van het boek aangeraden "pour connaître la vérité sur l'U.R.S.S."
Sleen verwerkt dit boek ook op andere momenten.
In het rattenkasteel zegt een mannetjesrat "Ik verkoos de vrijheid" als hij van zijn vrouw wegvlucht. (Het Rattenkasteel, str. 105 - DNG, 10/11/1948) En een Indiaan uit "De erfenis" leest het boek "Ik koos de vrijheid". (De erfenis van Nero, str. 122 – DNG, 8/3/1949)

[89] Idem, str. 13  (DNG, 4/1/1949)

[90] Idem, str. 174 (DNG, 7/4/1949)

[91] Idem, str. 203 (DNG, 25/4/1949)

[92] Marc Sleen. Het Rattenkasteel, str. 101 (DNG, 8/11/1948)

[93] Marc Sleen. De erfenis van Nero, str. 250 (DNG, 21/5/1949)

[94] Idem, str. 26 (DNG, 11/1/1949)

[95] Marc Sleen. Moea-Papoea. (DNG, 6/9/1950 - …)

[96] Idem, aankondigingsstrook (DNG, 5/9/1950)

[97] Na het verhaal "De hoed van Geeraard de Duivel". De hoed waarvan er sprake is, is dan ook de magische hoed van Geeraard.

[98] Idem, str. 2 (DNG, 6/9/1950)

[99] Idem, str. 13 (DNG, 13/9/1950)

[100] Idem, str. 58 (DNG, 9/10/1950)

[101] Idem, str. 14 (DNG, 13/9/1950)

[102] Idem, str. 34 (DNG, 25/9/1950)

[103] Idem, str. 5 (DNG, 26/9/1950)

[104] Idem, str. 35 (DNG, 26/9/1950)

[105] Idem, str. 35 (DNG, 26/9/1950)

[106] Idem, str. 34 (DNG, 25/9/1950)

[107] Idem, str. 12 (DNG, 12/9/1950)

[108] Ondanks de Duitse naam blijkt uit het verhaal dat Sweinenburg eigenlijk een Zweed is.

[109] Idem, str. 139 (DNG, 28/11/1950)

[110] Demullier (Luc) & Heirman (André)2. Het Nieuws van de XXste eeuw, deel 2 : 1950-2000. Gent, Het Volk/Scoop, 2000, p. 274 ; Demedts (Lieven). Op. Cit., p. 24

[111] Idem, str. 3 (DNG, 7/9/1950)

[112] Idem, str. 133 (DNG, 24/11/1950)

[113] Idem, str. 158 (DNG, 8/12/1950)

[114] Idem, str. 129 (DNG, 22/11/1950)

[115] Idem, str. 175 (DNG, 19/12/1950)

[116] Idem, str. 186 (DNG, 25/12/1950)

[117] Idem, str. 189 (DNG, 27/12/1950)

[118] Idem, str. 17 (DNG, 15/9/1950)

[119] Idem, str. 79 (DNG, 21/10/1950)

[120] Idem, str. 42 (DNG, 29/9/1950)

[121] Een extra spottend element zijn de eerder speciale Russische namen zoals "Rococovitsj", "Vassilinowitsj" of "Aspirinowitsj". (Idem, str. 24 & 34 - DNG, 19/9/1950 & 25/9/1950)

[122] Idem, str. 60 (DNG, 10/10/1950)

[123] Idem, str. 11 (DNG, 12/9/1950)

[124] Vanaf hier zullen afkortingen gebruikt worden om de verhalen aan te duiden. Het geheim van Matsuoka = Matsuoka ; Het B-gevaar = B-gevaar ; Het Zeespook = Zeespook ; Het Rattenkasteel = Ratten ; De erfenis van Nero = Erfenis ; De Blauwe Toekan = Toekan ; De juwelen van Gaga-Pan = Gaga-Pan ; De man met het gouden hoofd = Hoofd ; De hoed van Geeraard de Duivel = Geeraard ; Moea-Papoea = Moea.

[125] Hoofd, str. 65-67 (DNG, 25/2/1950 & 26/2/1950)

[126] Zeespook, str. 179-182 (DNG, 1/9/1948 & 2/9/1948)

[127] Zeespook, str. 142 (DNG, 10/8/1948)

[128] B-gevaar, str. 205 (DNG, 14/5/1948)

[129] Zeespook, str. 175 (DNG, 30/8/1948)

[130] Erfenis, str. 261 (DNG, 30/5/1949)

[131] Geeraard, str. 11 & 68 (DNG, 8/4/1950 & 10/5/1950)

[132] Geeraard, str. 34 (DNG, 20/4/1950) & Matsuoka, str. 23 (DNG, 16/10/1947)

[133] Hoofd, str. 108 (DNG, 21/3/1950) & Erfenis, str. 119 (DNG, 7/3/1949)

[134] Geeraard, str. 38 (DNG, 22/4/1950)

[135] Ratten, str. 2 (DNG, 9/9/1948)

[136] Geeraard, str. 192 (DNG, 22/7/1950) & Erfenis, str. 119 (DNG, 7/3/1949)

[137] Een slapende stationsloketbediende (Ratten, str. 9 – DNG, 14/9/1948) en formulieren. (Ratten, str. 129-130 – DNG, 24/11/1948)

[138] Als Nero en co in Het Zeespook het gestolen goud door de vliegende handschoen laten terugbrengen, komt dat niet terecht bij de eigenaars, maar bij mensen "die het beter kunnen gebruiken" : een oud vrouwtje met een pensioen van "120 fr. in de maand" en een jonge kunstenaar. (Zeespook, str. 178 – DNG, 31/8/1948)

[139] Hoofd, str. 16 (DNG, 26/1/1950)

[140] Een dichter en zijn vrouw krijgen een kindje. De man wilt er later een journalist van maken, maar de vrouw wilt er niets van weten : "Niets te doen ! Een beenhouwer of koolhandelaar. Die verdienen beter hun brood." (B-gevaar, str. 68 – DNG, 20/2/1948)

[141] Matsuoka, str. 139 (DNG, 24/12/1947), B-gevaar, str. 2 (DNG, 12/1/1948)

[142] "En ik heb mijn belastingen op de gemeente-taks voor 1946, 1947 en 1948 niet betaald. Noch mijn radiotaks … Noch mijn hondenbelasting …" (Gaga-Pan, str. 43 – DNG, 12/10/1949)

[143] Hoofd, str. 36 (DNG, 7/2/1950)

[144] Hoofd, str. 124 (DNG, 30/3/1950)

[145] Nero wilt uit Alaska goudklompen meebrengen, maar zijn medereiziger Amedee raadt het hem af : "Maak er u niet moe mee Nero. Wat kunt ge er mee aanvangen ? Stel u voor dat ge zo'n hoop klompen meeneemt. Ge komt er mee aan de grens en de douane draait er u achter wegens goudsmokkel. Ge wilt het wettig overbrengen en declareert het, dan zegt de Amerikaanse staat : gevonden in onze rivier. Staatseigendom. Diefstal. De doos in …"  (Hoofd, str. 115 – DNG 26/3/1950)

[146] B-gevaar, str. 101 (DNG, 11/3/1948)

[147] Zeespook, str. 102 (DNG, 17/7/1948)

[148] Gaga-Pan, str. 68 (DNG,26/10/1949)

[149] Ratten, str. 134 (DNG, 26/11/1948)

[150] Geeraard, str. 2 (DNG, 3/4/1950)

[151] Erfenis, str. 270 (DNG, 2/6/1949)

[152] Matsuoka, str. 81-82 (DNG, 20/11/1947)

[153] Gaga-Pan, str. 20-24 (DNG, 28/9/1949 – 30/9/1949)

[154] Matsuoka, str. 99 (DNG, 1/12/1947)

[155] Gaga-Pan, str. 56-57 (DNG, 19/10/1949 & 20/10/1949)

[156] B-gevaar, str. 131 (DNG, 30/3/1948)

[157] Gaga-Pan, str. 69 (DNG, 27/10/1949)

[158] Ratten, str. 86 (DNG, 28/10/1948) ; B-gevaar, str. 190 (DNG, 4/5/1948) ; Erfenis, str. 146 (DNG, 22/3/1949)

[159] B-gevaar, str. 200 (DNG, 11/5/1948)

[160] Erfenis, str. 64 (DNG, 2/2/1949)

[161] Erfenis, str. 67 (DNG, 4/2/1949)

[162] Erfenis, str. 215 (DNG, 2/5/1949)

[163] Zeespook, str. 97-99 (DNG, 15/7/1948 & 16/7/1948)

[164] Zeespook, str. 126 (DNG, 31/7/1948)

[165] Toekan, str. 80, 89, 91, 119, 144 & 145. (DNG, 22/7/1949, 28/7/1949, 29/7/1949, 15/8/1949, 28/8/1949 & 30/8/1949)

[166] Toekan, str. 92 (DNG, 29/7/1949)

[167] Toekan, str. 101-102 (DNG, 4/8/1949)

[168] Toekan, str. 80-81 & 85 (DNG, 22/7/1949, 23/7/1949 & 26/7/1949)

[169] Ook Oscar Bikini, "gediplomeerd koppensneller" uit "De man met het gouden hoofd" wordt bloot afgebeeld met das, manchetten, lendendoekje, dikke sigaar en hoge hoed. Hij vindt zichzelf een moderne koppensneller en wilt daarom goed betaald worden. (Hoofd, str. 14-16 – DNG, 25/1/1950 & 26/1/1950)

[170] Erfenis, str. 176-197 (DNG, 8/4/1949 – 21/4/1949)

[171] Idem, str. 171 (DNG, 16/12/1950)

[172] Idem, str. 183 (DNG, 23/12/1950)

[173] Matsuoka, str. 95 (DNG, 28/11/1947)

[174] Hoofd, str. 87 (DNG, 9/3/1950)

[175] Gaga-Pan, str. 60 (DNG, 21/10/1949)

[176] Ratten, str. 125 (DNG, 22/11/1948)

[177] Ratten, str. 140 (DNG, 30/11/1948)

[178] Matsuoka, str. 47 (DNG, 30/10/1947)

[179] B-gevaar, str. 205 (DNG, 14/5/1948) ; Hoed, str. 34, 65 & 176 (DNG, 20/4/1950, 9/5/1950, 13/7/1950)

[180] Ratten, str. 20 (DNG, 20/9/1948)

[181] Moea, str. 111 (DNG, 11/11/1950)

[182] Moea, str. 46 (DNG, 2/10/1950)

[183] Ratten, str. 144 (DNG, 2/12/1948)

[184] Ratten, str. 170 (DNG, 17/12/1948)

[185] Ratten, str. 171 (DNG, 18/12/1948)

[186] Ratten, str. 172 (DNG, 18/12/1948)

[187] Auwera (Fernand) & Smet (Jan). Op. Cit., p. 177

[188] Peeters (Benoît)1. Hergé, fils de Tintin. Paris, Flammarion, 2002, p. 33

[189] Sadoul (Numa). Tintin et moi, Entretiens avec Hergé. Tournai/Paris, Casterman, 2000, p. 48 ; Assouline (Pierre). Hergé. Paris, Gallimard/Folio, 1998, p. 23-32 ; Peeters (Benoît)1. Op. Cit., p. 21-33

[190] Zo was hij onder andere een fervent aanhanger van Mussolini. In 1934  werd hij opgevolgd door William Ugeux. (Assouline (Pierre). Op. Cit., p. 178)

[191] Assouline (Pierre). Op. Cit., p. 41-51 ; Peeters (Benoît)1. Op. Cit., p. 42-54

[192] Assouline (Pierre). Op. Cit., p. 52-74 ; Peeters (Benoît)1. Op. Cit., p. 59-76

[193] Assouline (Pierre). Op. Cit., p. 239 ; Peeters (Benoît)1. Op. Cit., p. 83-97, 138, 174

[194] Hergé had daarbij niet de indruk te collaboreren. Het leek hem ook een normale zaak, omdat veel mensen uit zijn omgeving op dezelfde manier handelden. (Peeters (Benoît)1. Op. Cit., p. 171-172)

[195] De naam Kuifje zou pas opduiken in 1943, in de eerste Vlaamse verhalen heet het personage nog altijd Tintin.

[196] L'étoile mystérieuse, waarin twee kampen (Amerikanen tegen inwoners van de asmogendheden, de bezette gebieden en neutrale landen) het in een wetenschappelijke expeditie tegen elkaar opnemen, en waarin enkele anti-joodse grappen staan.

[197] Assouline (Pierre). Op. Cit., p. 239-242 ; Peeters (Benoît)1. Op. Cit., p. 162-178

[198] Assouline (Pierre). Op. Cit., p. 333-344 ; Peeters (Benoît)1. Op. Cit., p. 231-236

[199] Peeters (Benoît)1. Op. Cit., p. 238-251

[200] De samenvatting is hier gebaseerd op de versie in De Nieuwe Gids. In latere vertalingen werden sommige namen aangepast.

[201] Hergé. De Scepter van Ottokar, str. 144 (DNG, 4/2/1948)

[202] Idem, str. 155 (DNG, 10/2/1948)

[203] Idem, str. 206 (DNG, 11/3/1948)

[204] Idem, str. 210 (DNG, 13/3/1948)

[205] Van Opstal (Huibrecht). Tracé Hergé, Le Phénomène Hergé. Bruxelles, Lefrancq, 1998, p. 130

[206] Sadoul (Numa). Op. Cit., p. 153

[207] Farr (Michael). Tintin, Le rêve et la réalité. Bruxelles, Editions Moulinsart, 2001, p. 81-84 ; Assouline (Pierre). Op. Cit., p. 211-217 ; Peeters (Benoît)1. Op. Cit., p. 149-153

[208] Peeters (Benoît)1. Op. Cit., p. 153

[209] Farr (Michael). Op. Cit., p. 82

[210] Assouline (Pierre). Op. Cit., p. 264 ; Peeters (Benoît)1. Op. Cit., p. 149

[211] Peeters (Benoît)1. Op. Cit., p. 159, 168

[212] Assouline (Pierre). Op. Cit., p. 362

[213] Smolderen (Thierry) & Sterckx (Pierre). Hergé : portrait biographique. Tournai, Casterman, 1988, p.  227 ; Peeters (Benoît)1. Op. Cit., p. 285, 365

[214] Assouline (Pierre). Op. Cit., p. 393-396 ; Peeters (Benoît)1. Op. Cit., p. 199-204, 223-224 ; Van Opstal (Huibrecht). Op. Cit., p. 85-87

[215] Peeters (Benoît)1. Op. Cit., p. 186

[216] Van Opstal (Huibrecht). Op. Cit., p. 82, 96

[217] Van Opstal (Huibrecht). Op. Cit., p. 96, 130

[218] Ten opzichte van deze versie zijn echter verschillende aanpassingen gebeurd. Zo werden bepaalde grote tekeningen herkaderd om als krantenstroken gepubliceerd te kunnen worden. Perfectionist Hergé moet die hercadreringen zelf uitgevoerd hebben of door medewerkers hebben laten uitvoeren, zodat hij van de publicatie van zijn verhaal in De Nieuwe Gids op de hoogte moet geweest zijn.
Verder is pagina 43 uit de albumversie om onverklaarbare redenen uit het verhaal verdwenen. En ook met de lettering is iets merkwaardigs aan de hand : na enkele stroken wordt de nette lettering in kleine letters vervangen door een slordige lettering in hoofdletters. Ook de interpunctie en de taal zijn redelijk slordig. Zo komt het verschillende keren voor dat een overbodige letter gewoon doorstreept wordt.
De vertaling is op enkele letters na (bv. "'n" die "een" wordt) identiek aan de albumversie, maar het verhaal werd volledig herletterd, waarschijnlijk op de krant. Waar dit voor nodig was, is natuurlijk een andere zaak …

[219] Idem, str. 36 (DNG, 29/11/1947). Deze woordverwarring stond al in de eerste versie van het verhaal. (Hergé. Le Sceptre d'Ottokar. Tournai, Casterman, 1988, p. 19 (facsimilé-uitgave van de eerste druk))