Inhoudstafel

Startpagina

 

 

5. Het Belang van Limburg

 

5.1. Historiek en situering

 

5.2. "Limburgsche vervolgverhalen"

5.2.1. Nantje en Jetje

5.2.2. De Stradivarius en de Jood

5.2.3. Agentschappen

 

5.3. Besluit

 

 

 

5. Het Belang van Limburg

 

5.1. Historiek en situering

Het Belang van Limburg zag in 1933 het levenslicht als de samensmelting van een reeks weekbladen, die opgericht waren door Nicolas Theelen, en later door zijn zoon Frans. In 1926 verhuisde het bedrijf van Tongeren naar Hasselt en nam het de naam "Concentra" aan. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de publicatie stopgezet en werd een VNV-publicatie op de persen gedrukt.

Maar na de bevrijding is de krant er weer op 12 september 1944. En zoals de meeste andere kranten, krijgt ook Het Belang van Limburg te maken met personeels- en papiertekort. Hubert Leynen, tijdens het interbellum al hoofdredacteur, keert op zijn positie terug. Aangezien Leynen vanaf 1949 parlementslid wordt voor de CVP, leunt de krant sterk bij deze partij aan. Ook is de krant sterk verbonden met Limburg en wordt ze vooral in deze provincie verspreid. Voor 1945 en 1949 vermeldt Campé oplages van 40.000 en 45.000 exemplaren.[1]

De krant bevat tussen de 8 en de 12 pagina's en begint op een formaat van 29 op 42 cm[2].  Het Belang van Limburg verschijnt zeven keer per week, strips kunnen alle dagen verschijnen, maar dat gebeurt niet noodzakelijk.

 

5.2. "Limburgsche vervolgverhalen"

5.2.1. Nantje en Jetje

Op 16 september 1945 kondigt Het Belang van Limburg haar eerste naoorlogse strip aan met de volgende tekst : "Mej. Anne-Marie Prijs van Sint Truiden, dochter van den letterkundige Hendrik Prijs, tekende voor ons dagblad een Limburgsch vervolgverhaal : " De avonturen van Nantje en Jetje Pek en van hun hondje Zip". De teekeningen, waaraan groot en klein veel genoegen zullen beleven, vangen aan in ons nummer van morgen. Hierboven ziet u de drie helden uit dit geïllustreerd verhaal."[3]

Tekenares Anne-Marie Prijs werd in 1925 geboren als de dochter van schrijver Hendrik Prijs. Ze volgde les aan de Academie van Sint-Truiden en privé-les bij de schilder Ri Coëm. Naast haar werk voor Het Belang van Limburg, leverde ze ook illustraties voor novellen van haar vader en voor eigen teksten van sprookjes die verschenen in Zonneland en Libelle. Vanaf 20 februari 1948 zou ze ook een strip in Zonneland publiceren, "Tjieke en Jaak".[4]

Anne-Marie Prijs vertelt dat ze bij het zien van de Amerikaanse strips die ons land bereikten, ook zin kreeg om zulke "tekenbanden" te gaan maken. Jeugdverhalen schreef ze op dat moment al. Door de activiteiten van haar vader[5] kwamen veel schrijvers en schilders bij de familie Prijs over de vloer, en daardoor had de familie ook veel contacten met de uitgeverswereld. Anne-Marie ging haar strips dan blijkbaar op eigen initiatief aanbieden bij de hoofdredacteur van Het Belang van Limburg, die ze voor publicatie aangenomen heeft.[6] Het feit dat de tekenares haar werk op de krant is gaan aanbieden, is waarschijnlijk de reden waarom Het Belang van Limburg er zo vroeg bij is met het publiceren van strips.[7]

Annie Gay geeft in haar licentieverhandeling een korte bespreking van Nantje en Jetje. Voor haar is de oneerlijkheid, belichaamd door "Slangmensch" het centraal thema van het verhaal. Ze beschrijft de tekeningen als vrij eenvoudig (wat ook zo is) : "Aan de uitwerking van de gezichten is weinig aandacht besteed. De bewegingen zijn houterig. Ook de omgeving wordt in enkele trekjes voorgesteld. Er wordt wel gebruik gemaakt van tekstballonnetjes."[8]

Het verhaal loopt van 17 september 1945 tot 21 januari 1946, en begint op een eerder droevige manier : "Terwijl de natuur herleeft, sterft de moeder van Nantje en Jetje."[9] De twee kinderen besluiten dan maar de wijde wereld in te trekken. Ze zoeken werk, maar dat loopt slecht af. Ze helpen dieven in te rekenen, en dat levert hen een beloning van 10.000 frank op. Nantje wordt zelfs ontvoerd door bandieten, maar Jetje en enkele rakkers slagen erin hem te bevrijden.

De twee bengels komen terecht in een circus, waar Pipo de clown zich over hen ontfermt en hen kunstjes leert. Maar één van de andere circusartiesten, een zekere Slangmensch, die beschreven wordt als "lief maar (…) valsch en sluw"[10], wordt al snel jaloers op het succes van Nantje en Jetje. Hij zet een "misdadig plan" op en zaagt de koord waarop ze hun kunsten vertonen, door. Tijdens de volgende voorstelling breekt de koord dan ook door en valt Jetje naar beneden.

Jetje herstelt langzaam en Slangmensch wordt uit het circus gezet. Hij belooft echter zich te wreken. Maar momenteel zijn er andere zorgen. De kalender geeft 10 mei aan, "Duitsche vliegtuigen bombardeerden heden morgen Evere, zonder oorlogsverklaring…"[11] De algemene mobilisatie wordt uitgeroepen, "het vaderland roept", zodat ook Pipo de clown moet vertrekken. Pipo is echter zeer optimistisch : "Och Jetje, 't zal niet lang duren, de Moffen raken nooit over het Albertkanaal."[12]

Iets te optimistisch, zoals later blijkt. Enkele dagen later lezen Nantje en Jetje in de krant dat België na 18 dagen "dapper maar vruchteloos verzet"[13] bezet is. Duitse troepen trekken langs, al zingend van "und wir fahren gegen Engeland". "Daarvoor moet ge goed kunnen zwemmen stoefers …"[14], merkt Nantje op, maar Jetje zet hem aan tot voorzichtigheid.

 

Het hele verdere verhaal speelt zich af tijdens de oorlog, en stopt op het moment dat de geallieerden binnentrekken. Doorheen het verhaal worden de harde oorlogsomstandigheden duidelijk gemaakt. De twee kinderen moeten aanschuiven bij het rantsoeneringsbureel en de rantsoenen volstaan niet voor het circus, zodat ze "op smokkeltocht" moeten naar de boer. "De Moffen pakken alles", "Alles wordt zoo duur"[15], en door het gebrek aan voedsel moet de circusleeuw Sultan geslacht worden. "Alles de schuld van die vuile Pruisen"[16], zegt Nantje.

Slangmensch verschijnt zelfs terug op het toneel, deze keer als collaborateur. Hij zit zonder werk en gaat zijn diensten aanbieden bij de Gestapo. Hij wordt aangenomen, krijgt geld en een revolver en gaat nu op zoek naar slachtoffers. En dat slachtoffer is al snel gevonden : hij gaat Sis, die een varken vetmest in zijn tuin, aangeven bij "Willy den feldgendarm".[17] Maar Nantje en Jetje redden de situatie door Sis te gaan waarschuwen en Willy in de riool te laten vallen.

Slangmensch als collaborateur ? Wel, Nantje en Jetje gaan in het verzet en proberen op hun manier de Duitsers tegen te werken. Ze verven een zitbank waar elke avond een Pruis komt vrijen, zodat na afloop zowel de Duitser als het meisje vol verf hangen. En als de soldaat "ich liebe dich schatz"[18] zegt, voegt de verteller toe dat de liefde blind is … Of Nantje dringt de Feldgendarmerie binnen en tekent naast het portret van Hitler twee varkenskoppen met het onderschrift "dit zijn drie varkens"[19]. Tijdens een wandeling in de bossen komen ze zelfs in aanraking met een bende echte weerstanders. Nantje zweert "trouw aan vorst en België"[20] en wordt opgenomen in het verzet. Als eerste opdracht moet hij een bom leggen op de sporen waar een SS-trein moet doorkomen. De aanslag lukt, maar daar is Slangmensch weer : hij heeft alles gezien. Hij neemt Nantje gevangen en "hopende op een goede beloning draagt de verrader zijn slachtoffer naar de feldgendarmen."[21]

Maar Nantje ontsnapt en slaat samen met zijn zusje op de vlucht. Weer in een bos gekomen, maken ze kennis met een net gelande parachutist. Het blijkt een Franstalige Belg te zijn die ingelijfd is bij de R.A.F., en de twee kinderen brengen hem bij de verzetsstrijders.

Bij hun verdere tocht komen Nantje en Jetje terecht in een dorp dat net gebombardeerd wordt door R.A.F.-vliegtuigen. Enfin, de vliegtuigen bombarderen één bepaald doelwit, maar enkele bommen missen hun doel en vernielen een drietal huizen. Nantje redt een kind uit één van die huizen en valt dan gewond neer, zodat hij voor verzorging naar het ziekenhuis moet. De twee kinderen komen dus als echte helden uit deze gebeurtenissen.

 

En dan komt tenslotte de lang verwachte bevrijding. Na de winter is het opeens enorm druk op straat, zodat Nantje en Jetje zich afvragen wat al die motors en tanks die voorbijrijden toch wel betekenen. In een dorp horen ze dan wat er aan de hand is : "De geallieerden zijn nog een 20tal km. van hier !"[22] De bevolking laat haar vreugde dan ook duidelijk blijken : "We zijn bijna verlost van de Pruis !!", "Hoera", "de Pruisen die lopen gaan … terug naar hun "Heimat" Haha !", "Bravo".[23]

In het huishouden waar ze opgevangen worden (en waarvan de Opa in de weerstand zit), horen de kinderen op de radio dat de troepen op 30 kilometer van Sint-Truiden zitten. En Nantje kan het niet laten de wegtrekkende Duitsers een laatste hak te zetten. "Ik moet de Duitsers verschalken eer ze weg zijn"[24], denkt hij en die nacht gaat hij de banden van de opgeëiste fietsen platsteken.

En de volgende morgen is het dan zover : ze zijn bevrijd. Nantje en Jetje gaan de straat op en zien aan alle vensters Belgische vlaggen hangen : "Overal … de vlaggen uit. We zullen de eerste zijn om onze bevrijders te groeten ! Dáár … komen ze … geloof ik ! … Hemel! Jááá ! Hoera ! Welkom !"[25]

Een jeep met drie geallieerde soldaten komt aanrijden, en terwijl Nantje en Jetje erbij gaan zitten, worden de soldaten door de bevolking toegejuicht : "Leve de geallieerden", "Will you love cognac ?", "Bravo", "Welkom".[26] En met deze woorden eindigt het oorlogsverhaal van Nantje en Jetje Pek.

 

Het verhaal blijft tot het uitbreken van de oorlog redelijk onschuldig en draait dan vooral rond de concurrentie tussen Nantje en Jetje en Slangmensch. Na het uitbreken van de oorlog wordt die tweedeling verdergezet : de jaloerse, valse en verraderlijke Slangmensch gaat samenwerken met de Gestapo en zoekt naar slachtoffers, terwijl de twee kinderen enorm te lijden hebben onder de oorlogsomstandigheden. En toch gedragen Nantje en Jetje zich als "helden" : ze werken de Duitsers tegen zoals ze kunnen, maken hen belachelijk, helpen een geallieerde parachutist, … Nantje gaat zelfs in de weerstand en redt een kind uit een gebombardeerd huis.

Op twee momenten in het verhaal is er sprake van het B.N.B. : de weerstanders waarbij Nantje zich aansluit zijn dus leden van de "Belgische Nationale Beweging"[27]. Nantje is trouwens niet de enige die zich bij het verzet aansluit, ook de "Opa" op het einde van het verhaal is actief in de weerstand.

En zoals men bij zo'n verhaal kan verwachten, worden allerlei scheve opmerkingen en grappen gemaakt over de "Moffen" en "vuile Pruisen"[28], terwijl de geallieerde helden in een ongelooflijke patriottische sfeer onthaald worden. Er wordt echter ook gewezen op de fouten van de geallieerden, als hun bommen neerkomen op enkele huizen.

Tot slot moeten nog enkele katholieke elementen vermeld worden, die in het verhaal opvallen. Op een bepaald moment bidden Nantje en Jetje voor een kapelletje tot Maria en als Jetje in het circus gewond raakt, zegt Pipo "Arm Jetje. God geve dat zij geneze !".[29]

Als het verhaal gepubliceerd wordt, is de oorlog sinds enkele maanden definitief gedaan. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat "Nantje en Jetje" in een sterke patriottische sfeer baadt. Het kan dan ook gezien worden als een in herinnering houden van de daden van de Duitsers en van de inspanningen van de geallieerden en het verzet. Ook wordt zo een tweede keer met de Duitsers afgerekend.

 

5.2.2. De Stradivarius en de Jood

Na een korte onderbreking publiceert Het Belang van Limburg van februari tot mei 1946 een tweede verhaal van Anne-Marie Prijs, met totaal verschillende personages. "De Stradivarius van Prof. Polsky" vertelt het verhaal van de "Bende Grijp" die deze Stradivarius-viool wilt stelen. De bende vlucht met de viool naar de Verenigde Staten, en ondertussen schakelt Polsky een detective in om zijn instrument terug te vinden. Door een efficiënte samenwerking tussen de Belgische en de Amerikaanse politie worden de dieven uiteindelijk opgepakt of gedood. Polsky heeft zijn viool echter niet terug, tijdens een gevecht werd ze volledig vernield.

Merkwaardig in dit verhaal is de rol die een joodse handelaar erin speelt. Eén van de dieven probeert de viool namelijk te verkopen in de joodse muziekwinkel "Abrams". De winkelier koopt de viool, goed wetende dat het om de gestolen Stradivarius gaat. Hij wordt ook erg karikaturaal voorgesteld : een kaalkop, een klein brilletje en een haakneus annex haakkin. En als later de politie en de detective bij hem op bezoek komen, noemen ze hem "dat joodje" en "den jood".[30] Zo kort na de oorlog zulke "jodengrappen" in een verhaal zetten, lijkt nu op z'n minst misplaatst. Blijkbaar was het type van de jood als oneerlijke handelaar en misprezen medemens diep ingeworteld bij een deel van de bevolking.

In zijn antisemitisme-artikel in de NEVB vermeldt Lieven Saerens dat de joodse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog in de onmiddellijke naoorlogse Belgische pers niet op veel belangstelling konden rekenen. In deze omstandigheden is het dan ook niet verwonderlijk dat men joden blijft doortyperen als oneerlijke handelaars en blijft voorstellen met haakneuzen en dergelijke.[31]

 

5.2.3. Agentschappen

Met Professor Polsky komt blijkbaar ook meteen een einde aan de "Limburgsche" vervolgverhalen. Nadien zou de lezer van "Het Belang" alleen nog buitenlandse gagstroken voorgeschoteld krijgen. Van mei tot oktober 1946 verschijnt Professor Biskott van Steve Donogan[32], waarna een gagreeks zonder titel of auteur[33] tot januari 1947 in de krant verschijnt. Vanaf dan trakteert de krant haar lezers dagelijks op de grappen van Ferd'nand van Mik[34], die eind 1950 nog altijd doorlopen. En tot slot komen daar vanaf juni 1949 de Adamson-gags van O. Jacobson[35] bij. Deze twee laatste worden verdeeld door PIB.

 

5.3. Besluit

Het Belang van Limburg is door de publicatie van Nantje en Jetje vanaf september 1945 bij de vroege kranten die strips publiceren. Twee originele verhalen worden geleverd door tekenares Anne-Marie Prijs, waarna de krant overstapt naar de publicatie van agentschapstrips. Deze agentschapstrips zijn allemaal gagstrips en worden verdeeld door "Studio Vox", "Ranch" en PIB. Tot juni 1949 zou er dagelijks maar één strip verschijnen, vanaf dan worden het er dagelijks twee. Door de publicatie van die gagstroken kan men ook zeggen dat de krant haar strips meer op volwassenen gaat richten.

Vijf van de zes verhalen/reeksen hebben recht op een aankondiging. Wat de auteurs betreft wordt er vooral aandacht besteed aan Anne-Marie Prijs, die in de aankondiging van Nantje en Jetje aan de lezers voorgesteld wordt. Ook wordt haar naam naast de titel van het verhaal vermeld. Jacobson, auteur van Adamson, wordt in de aankondiging vermeld als een "beroemde tekenaar"[36], en daaronder wordt zelfs zijn foto gepubliceerd. De overige auteurs moeten het doen met hun handtekening in de stroken.

En wat de politiek betreft, vooral het eerste verhaal van Anne-Marie Prijs is sterk politiek geladen. Enkele maanden na het einde van de oorlog wordt deze in het verhaal nog eens overgedaan, waarbij, zoals in werkelijkheid, de slechte Duisters door de geallieerde helden verdreven worden.

 

 



[1] De Bens (Els). Op. Cit., p. 295 ; Campé (René), Dumon (Marthe) & Jespers (Jean-Jacques). Op. Cit., p. 508-510 ; Durnez (Gaston)5. Het Belang van Limburg. In : NEVB. Op. Cit., p. 429-430

[2] Na verloop van tijd wordt overgeschakeld op het grote krantenformaat, ongeveer 40 op 60 cm.

[3] HBvL, aankondiging op 16/9/1945, p. 1

[4] Kousemaker (Evelien & Kees). Op. Cit., p. 195 ; Piron (Paul). Op. Cit., p. 1105

[5] Hendrik Prijs was naast schrijver ook voorzitter van een Limburgse kunstenaarskring.

[6] Brief van Anne-Marie Prijs (30 april 2003).

[7] Slechts een viertal kranten starten vroeger.

[8] Gay (Annie). Vrouwelijke stripauteurs in België (2 delen). Licentieverhandeling Kunstgeschiedenis & Archeologie VUB, 1989-1990, p. 20

[9] Anne-Marie Prijs. De avonturen van Nantje en Jetje Pek en van hun hondje Zip, str. 1 (HBvL, 17/9/1945)

[10] Idem, str. 15 (HBvL, 5/10/1945)

[11] Idem, str. 23 (HBvL, 20/10/1945)

[12] Idem, str. 24 (HBvL, 22/10/1945)

[13] Idem, str. 25 (HBvL, 23/10/1945)

[14] Idem, str. 25 (HBvL, 23/10/1945)

[15] Idem, str. 25-26 (HBvL, 23/10/1945 & 24/10/1945)

[16] Idem, str. 27 (HBvL, 25/10/1945)

[17] Idem, str. 30 (HBvL, 29/10/1945)

[18] Idem, str. 33 (HBvL, 31/10/1945)

[19] Idem, str. 35 (HBvL,  3/11/1945)

[20] Idem, str. 39 (HBvL, 9/11/1945)

[21] Idem, str. 41 (HBvL, 11/11/1945)

[22] Idem, str. 71 (HBvL, 22/12/1945)

[23] Idem, str. 71-72 (HBvL, 22/12/1945 & 27/12/1945)

[24] Idem, str. 80 (HBvL, 11/1/1946)

[25] Idem, str. 85 (HBvL, 19/1/1946)

[26] Idem, str. 86 (HBvL, 21/1/1946)

[27] BNB : "brede patriottische verzetsbeweging, vooral actief in de sluikpers. De beweging stond voral sterk in administratie, gerecht en bij de politie." (Lagrou (Pieter)2. Verzet en naoorlogse politiek. In : Huyse (Luc) & Hoflack (Kris). De democratie heruitgevonden. Leuven, 1995, p. 67)

[28] De tekeningen zijn te klein, te schematisch en te onduidelijk om iets zinnigs te kunnen zeggen over het uiterlijk van de Duitsers.

[29] Idem, str. 18 & 52 (HBvL, 9/10/1945 & 29/11/1945). Elders ook een kruis aan de muur (str. 44 - 17/11/1945) en een vrouw die een kaars opsteekt (str. 32 - 31/10/1945).

[30] Anne-Marie Prijs. De Stradivarius van Professor Polsky, str. 36 & 45 (HBvL, 22/3/1946 & 8/4/1946)

[31] Saerens (Lieven). Antisemitisme. In : NEVB. Op. Cit., p. 310-311

[32] Verder onbekend, "Copyright Studio Vox".

[33] De enige vermelding is "Copyright by Ranch". De teksten in het decor zijn in het Frans.

[34] Zie Gazet van Antwerpen.

[35] Zie Het Laatste Nieuws.

[36] HBvL, aankondiging op 4/6/1949, p. 1