Inhoudstafel

Startpagina

 

 

2. Typologie van de gepubliceerde strips

 

2.1. Publicatiefrequentie en verhaalsoorten

2.2. De tekst

2.3. Stijlen en genres

 

 

 

2. Typologie van de gepubliceerde strips

Alvorens te beginnen met het overzicht van de kranten, moeten enkele elementen verder uitgewerkt worden : de publicatiefrequentie, de soorten verhalen, de verschillende tekstsoorten, en de verschillende stijlen en genres.

 

2.1. Publicatiefrequentie en verhaalsoorten

Laten we beginnen met de publicatiefrequentie. Die is meestal dagelijks. Op die manier wordt elke dag een aflevering van een bepaalde strip gepubliceerd. Maar ook een tweedagelijkse, wekelijkse en onregelmatige publicatie komen voor. Als er in de verdere tekst niets gespecifieerd wordt, is de publicatie dagelijks.

Wat ook kan variëren is het aantal strips of stroken die per aflevering gepubliceerd worden. Meestal blijft het bij één strook, maar ook twee, drie, of zelfs vier stroken zijn mogelijk. In dit laatste geval kan men ook spreken van een volledige "plaat".

In de verhaalsoorten moet men een onderscheid maken tussen vervolgverhalen en gagstroken. Vervolgverhalen vertellen een verhaal over verschillende afleveringen, van enkele tientallen tot enkele honderden. Gagstroken, ook wel stopcomics genoemd, zijn humoristisch van aard en vertellen in één enkele aflevering een grappig voorval.

 

2.2. De tekst

Een manier om de strips in "groepen" te verdelen, is na te gaan op welke manier er met tekst omgegaan wordt. Zoals in het eerste deel al kort uitgelegd werd, bestaan er twee grote categorieën : ondertekststrips en ballonstrips.

Ondertekststrips zijn de strips met de oudste traditie, maar vandaag is dat genre ongeveer volledig uitgestorven. Het wordt gekenmerkt door het plaatsen van de tekst onder de strook tekeningen. Zo krijgt men een situatie waarbij de lezer constant moet "switchen" tussen de tekeningen en de tekst. De tekeningen illustreren het verhaal meer dan dat ze het echt uitbeelden. Bij ballonstrips staat de tekst in de tekeningen.

In een derde categorie kan men dan de "stomme strips", zonder tekst dus, onderbrengen. Daarin wordt alles door middel van de beelden uitgedrukt, met als uitzonderingen enkele mogelijke opschriften in het decor, zoals een inscriptie op een uitstalraam of een titel op een boek.

Tenslotte nog een hybride vorm, namelijk het simultaan gebruik van ondertekst en tekstballonnen. Deze gevallen zijn vrij zeldzaam, maar komen wel degelijk voor. Wanneer enkel sommige uitroepen in ballonvorm weergegeven worden, dan is deze combinatie nog vrij begrijpbaar. Soms wordt echter twee keer ongeveer hetzelfde weergegeven, en heeft men het raden naar het eventuele nut van zulke aanpak.

Tekst kan ook voor verschillende doeleinden gebruikt worden. In een ondertekststrip is het simpel, daar wordt er met tekst omgegaan als in een roman : acties en dialogen worden samengesmolten tot een vlotte, doorlopende tekst. Bij ballonstrips ligt dat anders. Allereerst heeft men daar de tekst als de stem van de verteller, die gebeurtenissen beschrijft, tijdsaanduidingen geeft en dergelijke. Daarnaast heeft men de dialogen tussen de personages, die in ballonnen weergegeven worden. Ook gedachten van personages worden op die manier doorgegeven, zij het dan meestal in de vorm van wolkjes. Onomatopeeën dienen om achtergrondgeluiden weer te geven. En een laatste mogelijkheid is het voorkomen van tekst in het decor : op winkelruiten, op kranten, op muren, op affiches, …[1]

Bij ondertekststrips wordt de tekst meestal getypt, bij ballonstrips ligt de zaak iets anders. Meestal worden deze laatste met de hand geletterd, in een lettertype dat nauw aansluit bij drukletters. Dit om twee redenen : de drukletters om de leesbaarheid maximaal te garanderen, en het handmatige om te vermijden dat er zich een breuk of tegenstelling zou voordoen tussen de tekst en de tekeningen, die samen één geheel moeten vormen.[2]

Dat vormen van één geheel is zeer belangrijk, omdat het de leesbaarheid echt ten goede komt. In een ballonstrip kan men de tekst en de tekeningen samen "lezen", zodat men het verhaal continu kan volgen zoals een film. Bij ondertekststrips is het nodig om constant over te schakelen tussen tekst en beeld, en dat kan bij het lezen redelijk storend zijn.[3]

Zoals al gezegd in deel 1, worden deze ondertekststrips nu als iets archaïsch of ouderwets beschouwd. Dit komt door het feit dat zulke strips eigenlijk niet veel meer zijn dan romanteksten waar illustraties bij gemaakt zijn. De interactie tussen tekst en beeld is er nog zeer beperkt. Ondertekststrips zijn de oudste vorm van strips, en in bepaalde milieus heeft het zeer lang geduurd eer men het gebruik van tekstballonnen ging aanvaarden.

Een bekend voorbeeld van het afwijzen van tekstballonnen is de publicatie van de ballonstrip "Tintin au pays des Soviets" in  het Franse jeugdblad Cœurs Vaillants vanaf oktober 1930. De verantwoordelijken van het tijdschrift voegden onder elke tekening een beschrijvende tekst toe. Een tussenkomst van tekenaar Hergé was nodig om deze praktijk te doen stoppen. "Ils étaient persuadés que le public ne pouvait pas comprendre ces pages de dessins sans le moindre texte d'explication.", vertelde hij later.[4]

In de late jaren 1920 en de jaren 1930 werden in Frankrijk soms ballonnen van Amerikaanse strips gewist en vervangen door ondertekst.[5] Maar ook bij ons kwamen zulke fenomenen voor. Voor de publicatie van Mickey Mouse (onder de naam Mikkie en Bleskop) in De Standaard tijdens de jaren 1930, werden de tekstballonnen gewist en vervangen door onderteksten.[6]

Twee redenen zijn hiervoor aan te halen. Ten eerste de redenering van sommige mensen dat ondertekststrips waardevoller zijn omdat er meer te lezen is (tekstballonnen zouden namelijk de "leesluiheid" bevorderen). Ten tweede het feit dat het medium ballonstrip nog niet genoeg ingeburgerd was en dus niet goed aanvaard werd.

 

2.3. Stijlen en genres

De stijl wijst op de manier waarop een strip getekend is, de tekenstijl dus. In grote lijnen kan men twee soorten stijlen onderscheiden, waarvan de grenzen niet altijd even duidelijk zijn. Allereerst heeft men de zogenaamde "realistische" stijl, waarbij de werkelijkheid op een "realistische" manier wordt getekend. Anderzijds heeft men de "niet-realistische", "humoristische" of nog "schematische" stijl, waarbij de werkelijkheid vereenvoudigd, gekarikaturiseerd, … weergegeven is. Onvermijdelijk zijn natuurlijk de randgevallen, die tussen de twee categorieën zweven.

In de loop van de tijd zijn critici ook meer gespecialiseerde stijlen gaan onderscheiden. De bekendste voorbeelden zijn de "Klare lijn" van Hergé en de "Atoomstijl"[7] van Franquin en navolgers.[8]

Het genre heeft dan weer betrekking op de inhoud van het verhaal, net als bijvoorbeeld bij film en literatuur gebeurt. Patrick Van Gompel en Ad Hendrickx proberen in "Strips, aha !" een lijst van de voornaamste genres op te stellen. Het probleem is weer dat een verhaal meestal onder verschillende genres kan ondergebracht worden. Het concept is dan ook niet echt geschikt om verhalen in groepen te verdelen. Voorbeelden van genres zijn : avonturenstrip, biografische strip, detectivestrip, dierenstrip, educatieve strip, familiestrip, fantasy, gagstrip, historische strip, humoristische strip, kinderstrip, literaire bewerking, religieuze strip, ridderstrip, science-fiction, superheldenstrip en western.[9]

 

 



[1] Lefèvre (Pascal) & Baetens (Jan). Strips anders lezen. s.l., Sherpa / BCB, 1993, p. 18-19

[2] Lefèvre (Pascal) & Baetens (Jan). Op. Cit., p. 19 ; Groensteen (Thierry)1. Astérix, Barbarella & Cie. Somogy / CNBDI, 2000, p. 20

[3] Peeters (Benoît)2. La bande dessinée. Flammarion, 1993, p. 26-29 ; Dierick (Charles)2. Het Belgisch Centrum van het beeldverhaal. In : Dierick (Charles) (ed.). Het Belgisch Centrum van het Beeldverhaal. Brussel / Tournai, La Renaissance du livre – Dexia, 2000, p. 56-57 ; Kousemaker (Evelien) & Kousemaker (Kees) (red.). Wordt vervolgd : Striplexicon der Lage Landen. Uttrecht / Antwerpen, Het Spectrum, 1979, p. 7-9

[4] Peeters (Benoît)2. Op. Cit., p. 68 ; Groensteen (Thierry)1. Op. Cit., p. 54

[5] Groensteen (Thierry)1. Op. Cit., p. 48

[6] Het is mij niet bekend of deze operatie op de krant gebeurde of bij het agenstschap.

[7] Deze twee termen werden in de jaren 1970 gelanceerd door de Nederlandse tekenaar Joost Swarte. (Van Gompel (Patrick) & Hendrickx (Ad). Strips, aha ! De wereld van het beeldverhaal. Antwerpen, Standaard, 1995, p. 34)

[8] Van Gompel (Patrick) & Hendrickx (Ad). Op. Cit., p. 34-35

[9] Van Gompel (Patrick) & Hendrickx (Ad). Op. Cit., p.  34-40