Inhoudstafel

Startpagina

 

 

II. De Pers

 

1. Algemeen

1.1. Historiek

1.2. 1945-1950

1.3. Typologie

1.4. Oplagecijfers

1.5. Functies van de pers

 

2. Strips in de pers

2.1. Historiek

2.2. Functie

 

 

 

II. De Pers

 

1. Algemeen

1.1. Historiek

De strijd om de persvrijheid speelde een belangrijke rol tijdens de Belgische revolutie. De persvrijheid werd dan ook opgenomen in de grondwet van de nieuwe staat, wat ervoor zorgde dat België ten opzichte van de omliggende landen een zeer vrij persregime kende. De zegelbelasting betekende echter een rem op de groei van de dagbladpers. Dit was natuurlijk in het belang van de burgerij, die baat had bij deze techniek om de kranten duur te houden en dus een progressievere pers af te remmen. Maar deze situatie zou niet blijven duren. In 1839 werd de zegelbelasting verlaagd, om in 1848, naar aanleiding van de sociale onrusten in dit Europees revolutiejaar, volledig afgeschaft te worden. Er werd uitgegaan van het feit dat de burgers beter geïnformeerd moesten worden. De kranten werden goedkoper en dikker en tijdens de tweede helft van de negentiende eeuw zag een hele reeks publicaties het licht. De jaren 1880-1900 worden zelfs de "gouden jaren" van de pers genoemd. Het aantal titels nam sterk toe (92 in 1897) en ook de oplagecijfers schoten de hoogte in.

In de beginperiode na de onafhankelijkheid was de pers vooral een zaak van de Franstalige elite. Het eerste Nederlandstalige dagblad, "Vlaemsch België", ontstond pas in 1844 en was geen lang leven beschoren. In datzelfde jaar verschenen al 33 Franstalige dagbladen. Maar met de doorbraak van de massapers zouden de Nederlandstalige bladen een inhaalbeweging uitvoeren.

De doorbraak van de massapers werd door verschillende factoren in de hand gewerkt. Niet alleen de afschaffing van het dagbladzegel zorgde voor goedkopere kranten, ook het aanwenden van reclame, de mechanisatie in de druksector en de daling van de papierprijs maakten goedkope kranten en grote oplages mogelijk. Door de sterke daling van het analfabetisme in de tweede helft van de 19e eeuw kwam er dan weer een grotere vraag naar lectuur. Ook andere factoren zoals de verstedelijking (gemakkelijkere verspreiding) en de uitbreiding van het kiesrecht (de bevolking bij de politiek betrekken) speelden een rol.

Natuurlijk had dit alles ook een invloed op de inhoud van de krant. Om grote delen van de bevolking te bereiken ging men de krant popularisen en kregen sensatie en ontspanning een grotere plaats toebedeeld.

Een eerste breuk werd veroorzaakt door de Eerste Wereldoorlog. De publicatie van kranten ging wel door, maar onder iets gewijzigde omstandigheden. Sommige kranten werden gecensureerd, nieuwe (collaborerende) kranten ontstonden, clandestiene publicaties werden gedrukt door het verzet, …

Tijdens het interbellum zagen nog een aantal nieuwe titels het licht. In 1939 werden 65 titels gepubliceerd in een gezamenlijke oplage van 1 740 000 exemplaren[1].

De Tweede Wereldoorlog had net als de Eerste heel wat gevolgen voor de Belgische dagbladpers. De publicatie van alle Belgische kranten werd op 19 mei 1940 gestaakt. Aangezien de Duisters ernaar streefden een "normale toestand" te herstellen, verschenen sommige titels terug, wél onder controle van de Propaganda Abteilung. De Duitse bezetter hechtte een groot belang aan de rol die de pers kon spelen in het beïnvloeden van de publieke opinie en wilde die pers dan ook onder controle krijgen. Elke publicatie die wou (her)verschijnen had de toelating van de Duitsers nodig. 27 dagbladen (zowel vooroorlogse, nieuwe als "gestolen"[2] kranten) konden op die manier verschijnen, de vooroorlogse gezamenlijke oplage bleef ongeveer gehandhaafd.[3] 

 

1.2. 1945-1950

Dit had natuurlijk zijn gevolgen na de oorlog : zoals de collaborateurs moesten gestraft worden, zo moesten ook de kranten die gecollaboreerd hadden, een afstraffing krijgen. Een aantal "collaboratiekranten" (bv. Volk en Staat, Le Pays Réel, De Dag) kreeg een definitief publicatieverbod, andere kranten werden vervolgd omdat ze onder censuur verschenen waren en konden na een onderzoek en een proces al dan niet terug verschijnen (bv. De Standaard, Het Nieuws van den Dag). Dat alles niet altijd even rechtvaardig verliep, hoeft natuurlijk niet te verwonderen : relaties speelden een rol en naargelang het geval werden wel eens verschillende maatstaven gehanteerd. Gestolen kranten konden alleszins hun publicatie zeer snel hervatten (bv. Le Soir, Het Laatste Nieuws).

Door het verdwijnen van kranten wegens publicatieverbod of financiële problemen[4] konden sommige mensen ervan profiteren om nieuwe titels op te richten. In de eerste jaren na de oorlog was er dan ook een grote dynamiek waar te nemen in de Belgische perswereld. Een hoop nieuwe titels kwam tevoorschijn : tussen 1944 en 1947 ongeveer een twintigtal. Deze lanceringen bleken echter niet altijd even succesvol te zijn. Tegen 1947 waren 16 titels al terug verdwenen. Maar keuze was er alleszins genoeg : in 1945 werden in België 55 krantentitels uitgegeven. In 1950 waren er dat 58.[5]

 

Kort na het einde van de oorlog betekende de papierschaarste een belangrijk probleem. Daardoor kwam het voor dat kranten niet dagelijks konden verschijnen, op zeer weinig pagina's verschenen of in de meest uiteenlopende formaten. Dit probleem werd na verloop van tijd echter opgelost.[6] De papierschaarste zorgde er ook voor dat kleine kranten een betere concurrentiepositie hadden ten opzichte van de grote. Iedereen had te kampen met een kleine oplage en een beperkt aantal pagina's, zodat kleine kranten (zoals La Lanterne en de communistische pers) de lezers iets evenwaardigs konden leveren als hun grotere collega's. Het publiek wilde kranten lezen, en als de oplage van een bekende krant uitverkocht was, zocht het publiek zijn toevlucht tot een andere krant die nog wel voorradig was. Het spreekt vanzelf dat deze kleine kranten in de problemen kwamen als de papierschaarste opgelost werd.[7]

De prijs van een krant werd eerst vastgelegd op één Belgische Frank.[8] Op 1 juli 1947 werden de prijzen opgetrokken tot 1,25 frank, waarna sommige kranten in januari 1949 overschakelden op een prijs van 1,50 frank.

Het hoeft waarschijnlijk niet gezegd te worden dat de geschreven pers in deze pre-televisieperiode een belangrijke rol speelde in het informeren en ontspannen van de mensen. De kranten bereikten dan ook een groot deel van de bevolking. Pierre Stéphany vermeldt een enquête uit 1946 waarin 76,24 % van de Belgen verklaarden regelmatig een dagblad te lezen. 34 % zei regelmatig meerdere kranten te lezen, waarschijnlijk een combinatie van nationale en regionale pers.[9]

 

1.3. Typologie

Men kan verschillende criteria gebruiken om de Belgische kranten uit deze periode in verschillende groepen in te delen. Het onderscheid tussen Vlaamse en Franstalige pers lijkt evident. Er waren echter uitzonderingen : er werden in Vlaanderen enkele Franstalige kranten uitgegeven ten behoeve van de Franstalige bevolkingsgroepen.

Een ander criterium is het onderscheid tussen nationale en regionale pers. Nationale kranten zijn kranten die over een volledig taalgebied goed verspreid worden, van regionale kranten is de verspreiding meestal beperkt tot één of enkele provincies of arrondissementen. Natuurlijk is het bij sommige titels zeer moeilijk om ze in een bepaalde categorie te plaatsen.[10]

Men kan ook een onderscheid maken tussen meer elitaire en meer populaire bladen. Terwijl de meer elitaire pers zich meer richt op harde onderwerpen zoals politiek en economie, zal men in de populaire pers meer aandacht besteden aan sport en fait-divers.

Tenslotte is er nog de ideologische strekking van de krant. Eén van de kenmerken van de Belgische pers, vooral in de betrokken periode, is namelijk de verzuiling. De Belgische samenleving op zich was onderverdeeld in verschillende "zuilen" of "werelden", die aansloten bij één of andere politieke strekking. Zo had men bijvoorbeeld een katholieke zuil, een socialistische zuil, een liberale zuil, …  Dat was in de pers niet anders : de meeste kranten behoorden tot één of andere zuil en leunden dus politiek en/of ideologisch aan bij een politieke partij, vakbond of organisatie.

Er konden verschillende soorten van banden bestaan. Zo kon de krant eigendom en officiële spreekbuis zijn van een partij (bv. Le Peuple, De Roode Vaan, Le Drapeau Rouge),  Ze kon voortkomen uit organisaties die banden hadden met de partij (Volksgazet, Vooruit, Het Volk). Of ze kon gewoon onafhankelijk zijn, maar ideologisch aansluiten bij één of andere zuil (De Standaard, La Libre Belgique, Het Laatste Nieuws). In Franstalig België bestond er ook nog een "neutrale" pers, die bij geen enkele zuil aanleunde (Le Soir).[11]

 

1.4. Oplagecijfers

Oplagecijfers zijn zeer moeilijk te controleren. Toen de zegelbelasting nog van kracht was, kon men op die manier de oplages van kranten achterhalen. Maar later kwamen de uitgevers zelf met hun oplagecijfers naar buiten en dat heeft zo zijn gevolgen. Spijtig genoeg voor de objectieve informatie werden deze cijfers meer dan eens opgeblazen om meer reclame-inkomsten binnen te halen. In 1951 werd uiteindelijk een controle-orgaan opgericht : de "Dienst voor publicitaire verspreidingsanalyse" (Devea/Ofadi).[12]

Tijdens de periode 1945-1950 bestond er dus nog geen controle. Alle cijfers die verder zullen vermeld worden, komen dus uit publicaties die uitgaan van uitgeverscijfers of schattingen.

 

1.5. Functies van de pers

Jean Gol vermeldt in zijn "La Presse en Belgique" de drie functies van de pers : informeren, opinies uitbrengen en ontspannen.[13] 

De eerste functie lijkt te zijn wat de meeste mensen van een krant verwachten : het nieuws brengen. De krant moet uit alles wat er in de wereld gebeurt een selectie maken, waarover dan in één van de edities geschreven wordt.

Daarnaast brengt de krant opinies uit, neemt ze standpunten in over het nieuws. In een politiek zeer geagiteerde periode zoals de tweede helft van de jaren '40 was dit van groot belang. Kranten namen harde standpunten in en polemiseerden onder elkaar over allerlei onderwerpen, zoals het beleid van de regeringen, de repressie van de collaboratie en de koningskwestie. Redacteurs schrokken er ook niet voor terug om de kranten van een andere zuil (of van de concurrentie) met woorden aan te vallen. De positie van journalist is dus een sterke positie, die in staat stelt ideeën, waarden, standpunten, … aan het publiek door te geven[14]. Standpunten die afkomstig kunnen zijn van de maatschappij, de zuil, de krant of de journalist zelf.

De derde functie van de pers, ontspannen, kan zeer breed geïnterpreteerd worden. Het nieuws brengen kan ook al een vorm van ontspanning zijn, maar daarnaast namen kranten ook specifieke ontspanningselementen op zoals kruiswoordraadsels, prijsvragen, romans en … strips !

 

2. Strips in de pers

2.1. Historiek

Zoals hoger al vermeld, kregen strips een belangrijke plaats in de Amerikaanse pers vanaf het begin van de twintigste eeuw. Ze zouden er niet meer uit verdwijnen. Europa en België volgden tijdens het interbellum.

Het is echter zeer moeilijk om zich op basis van de literatuur een beeld te vormen van wat er tussen de twee wereldoorlogen in de Belgische pers gepubliceerd werd. De beschikbare informatie is meestal nogal fragmentair. Zo geeft Danny De Laet in zijn "Het Beeldverhaal in Vlaanderen" alleen Vlaamse auteurs en zeer vage tijdsaanduidingen. De volgende auteurs publiceerden bijvoorbeeld tijdens de jaren '30 in de Vlaamse pers : Frans Van Immerseel en H. Kannegieter in Gazet van Antwerpen, Frans Piët in De Nieuwe Gazet en nog eens Kannegieter met "Tom de Negerjongen" in De Volksgazet. Alleszins kan gezegd worden dat men in de Belgische pers vanaf de jaren '20 "tekenverhalen" kan vinden, met een versterking in de jaren '30 met de publicatie van Amerikaans en Nederlands materiaal. [15]

 

2.2. Functie

Zoals hierboven al gezegd, droegen en dragen strips bij tot de ontspanningswaarde van de krant. Krantenbazen wisten heel goed dat ze via de publicatie van strips een publiek konden aantrekken én dat ze daardoor het publiek trouw konden laten worden aan hun krant. De opdracht van de strips was : het publiek verleiden en binden. Door het publiceren van afleveringen die eindigen met een "cliffhanger" moet het publiek nieuwsgierig gemaakt worden naar het vervolg … en dus de volgende dag dezelfde krant kopen.[16]

Het enorme belang van een populaire stripreeks blijkt goed uit de volgende anekdote. Toen Willy Vandersteen in 1947 met zijn Suske en Wiske overstapte van de NV De Gids naar De Standaard, zouden 20 000 tot 25 000 abonnees gevolgd zijn. Onder voorbehoud van enige overdrijving natuurlijk …[17] Kousemaker schrijft hierover : "de Vlaamse krantenbonzen waren zich zeer bewust geworden van het feit dat de schommelingen van het abonnementsbestand zeer gevoelig waren voor het al of niet opnemen van strips."[18]

Peeters vermeldt een Amerikaanse enquête uit het interbellum waaruit bleek dat zestig percent van de lezers zijn krant opende op de comic-pagina.[19] En ook toenmalig journalist Pierre Stéphany vertelt dat de strips het eerste was wat de lezers in de krant bekeken.[20]

Maar daarnaast konden strips ook nog een andere functie vervullen. Ze konden mee ingeschakeld worden in de opiniëring. Niet alleen journalisten konden opinies doorgeven aan hun lezers, ook stripauteurs konden zelf of onder invloed van de redactie via hun verhalen politieke boodschappen en standpunten overbrengen. Of de redactie kon via de aankoop van buitenlandse reeksen hetzelfde doen. Door de populariteit en de gemakkelijke leesbaarheid van de strips kon de impact op de lezers redelijk groot zijn. Maar dat is stof voor deel drie.

Zoals zal blijken uit de hieropvolgende contextschets, was er in die eerste naoorlogse jaren alleszins geen gebrek aan hete politieke onderwerpen …

 

 



[1] 800 000 voor de Nederlandstalige pers, 940 000 voor de Franstalige.

[2] Herverschenen zonder toestemming van de eigenaars.

[3] Gol (Jean). Le monde de la presse en Belgique. Bruxelles, Crisp, 1970, p. 14-19 ; De Bens (Els). De pers in België : het verhaal van de Belgische dagbladpers, gisteren, vandaag en morgen. Tielt, Lannoo, 2001, p. 24-38 ; Van Eeno (Romain), Luykx (Theo), Van Hees (Pieter) & Durnez (Gaston). Pers. In : Nieuwe encyclopedie van de Vlaamse Beweging. Tielt, Lannoo, 1998, p. 2434 ; Luykx (Theo). Evolutie van de communicatiemedia. Brussel, Elsevier, 1978, p. 217-222, 266-272, 302-308, 506-522

[4] 29 van de 68 kranten die in 1939 verschenen, verdwenen na de oorlog van het toneel. (Campé (René). La presse libérale depuis 1846. In : Hasquin (Hervé) & Verhulst (Adriaan) (eds.). Le libéralisme en Belgique : deux cents ans d'histoire. Bruxelles, Delta, 1989, p. 193)

[5] De Bens (Els). Op. Cit., p. 47-49, 63-68 ; Van Eeno (Romain), Luykx (Theo), Van Hees (Pieter) & Durnez (Gaston). Op. Cit., p. 2453-2455

[6] Gijs (Inge). 100 jaar Gazet van Antwerpen. Antwerpen, De Vlijt, 1991, p. 75-76 ; Durnez (Gaston)1. De Standaard, het levensverhaal van een Vlaamse krant, 1914-1948. Tielt, Lannoo, 1985, p. 485

[7] Füeg (Jean-François). La Lanterne. Un nouveau quotidien à la libération. In : Cahiers d'histoire du temps présent, 1996, nr. 1, p. 44

[8] Gijs (Inge). Op. Cit., p. 75-76 ; Durnez (Gaston)1. Op. Cit., p. 485

[9] Stéphany (Pierre). La Libre Belgique, Histoire d'un journal libre. Louvain-la-Neuve, Duculot, 1996, p. 262

[10] Gol (Jean). Op. Cit., p. 41

[11] De Bens (Els). Op. Cit., p. 33 ; Gol (Jean), Op. Cit., p. 21, 47

[12] Gol (Jean). Op. Cit., p. 25-28 ; De Bens (Els). Op. Cit., p. 120-121

[13] Gol (Jean). Op. Cit., p. 11

[14] Witte (Els)4. Media en Politiek. Brussel, VUBPress, 2002, p. 158

[15] De Laet (Danny)2. Op. Cit., p. 23 ; Dierick (Charles)2. Op. Cit., p. 70

[16] Dierick (Charles)2. Op. Cit., p. 70 ; Groensteen (Thierry)1. Op. Cit., p. 71-72

[17] Van Helden (Wim), Van den Boom (Hans) & Smet (Jan). Willy Vandersteen : "Ge kunt zeggen dat het slecht is, geen mens zal u geloven". In : Stripschrift, nr. 122/123, 1979, p. 5 ; Durnez (Erik). Ik vier het elke dag … Willy Vandersteen 65. Antwerpen / Amsterdam, Standaard Uitgeverij, 1978, p. 13 ; Willy Vandersteen. In : Florquin (Joos). Ten huize van … (13e reeks). Leuven, Davidsfonds, 1977, p. 112

[18] Kousemaker (Evelien) & Kousemaker (Kees) (red.). Op. Cit. p. 77

[19] Peeters (Benoît)2. Op. Cit., p. 49

[20] Brief van Pierre Stéphany. (5/7/2003)